zijn stem snakt naar zijn eigen adem
de krassende pijn slikt hij door
met de glimlach
– een grimlach,
als de sneeuw maar vreet in de hitte van zijn huid
dan smeekt hij dan smaakt hij de cellen, de blaren, de bladeren, de stemband kraakt
zijn stem snakt naar zijn eigen adem
de krassende pijn slikt hij door
met de glimlach
– een grimlach,
als de sneeuw maar vreet in de hitte van zijn huid
dan smeekt hij dan smaakt hij de cellen, de blaren, de bladeren, de stemband kraakt
speeksel klit aan zijn woorden:
stotterend met de klanken van zijn eerste
laatste liefde
of ze jou op profijtige manier
zo tussen door
lief kan hebben?
geef me geen gelijk
sla me over als dit blad
spreek even niet met haar
kluister je vast aan jezelf
alsof je zeer verlegen tegen een meisje lacht
zoen ze kokosnotensmaak zoals in de reclame doe alsof ze nu nog eventjes echt van je houdt
De drummer
de witte ruis klapt open in slagroom
net voor de rust verbreedt in ruige ritmes
slingert hij de ratelende vibrato’s
in stukken geluid haperend aan de stilte,
ingebed in zweetdruppels hitte
emoties staccato vibrerend op de melodie
die uitdeint in zacht geritsel
overspoelt de klank de wereld nu hij
driest de ruimte hakt in ritmisch dansen op de daken?
spant hij de boog overweldigend hamerende bruggen leggend
naar de noot die openspat in vuurwerk? zonder zijn stem draait de wereld zot.