Toekomst

Zo komt het nooit nog goed.

De dagen slinken in lange nachten

En de wind verbrandt de dorre blaren.

 

In de wereld dreigen moordenaars

het verleden opnieuw te beleven

In ommuurde kampen van haat

 

Mijn droom om oud te worden

In een wereld van liefde

Verbleekt met de angst voor morgen.

 

We schermen de avonden af in valse hoop

voor de donkere nachten die zullen komen.

De mensen staren niet meer naar de maan.

Oud nieuws is fake nieuws

In de inkom van ons huis hangt al tientallen jaren de befaamde tekst ‘Streven naar geluk’ ofte ‘Desiderata‘. Een dankbaar geschenk van een van de broers van mijn vrouw. Bij welke gelegenheid? Bijna de zeventig bereikt, vallen huwelijks- en andere verjaardagen over elkaar en weet ik het niet meer. Die tekst was zo bijzonder omdat hij tot op vandaag zo heerlijk actueel blijft. Een monnik (?) uit de Sint-Pauluskerk in Baltimore, Maryland, de Verenigde Staten. Geschreven in het jaar 1692, zo staat onderaan te lezen. Respect, man.

Ik heb het altijd een beetje raar gevonden dat in dit gedicht – jawel, daar straks meer over –  de auteur (een monnik, een pater, een abt???) het had over het lawaai. Welk lawaai? Boerenkarren die over kasseien dobberden, het geklingel van emmers uit de waterput, kijvende wijven aan de poort van de kerk, joelende kinderen, vloekende arbeiders? Ik kon er me wel een en ander bij voorstellen.

Dat hele gedicht dat in Nederlandse vertaling een doorlopende tekst was geworden in een vertaling van ???wie??? bleef me intrigeren. Vandaag had ik een doortastende ingeving: hoe zou die originele tekst in het Engels wel luiden, vermoedelijk in oud-Engels, toch? Nu liggen de antwoorden de dag van vandaag voor je neus, als je een beetje thuis bent op het internet. Zou het een bevredigend antwoord worden?

Man man man, wat een ontgoocheling toen ik dit las: “Uit de FAQ van Alt.Usage.English: “Desiderata” is geschreven in 1927, door Max Ehrmann (1872-1945). In 1956 gebruikte de predikant van De St. Pauluskerk in Baltimore, Maryland, het gedicht in een verzameling stencils met inspiratiemateriaal voor zijn gemeente. Iemand die het later drukte zei dat het gevonden was in de oude St. Pauluskerk, gedateerd 1692. Het jaar 1692 is het jaar waarin de kerk gesticht was, en heeft niets te maken met het gedicht. Zie Fred D. Cavinder, “Desiderata”, TWA Ambassador, Aug. 1973, pp. 14-15.”

In één klap zag ik mijn verbeelde monnik, lawaai makende boerenkarren, kijvende wijven… verpulveren en herleven in de gedaanten van mensen uit de heel wat dichtere twintigste eeuw! Dit gedicht bleek dus fake te zijn – nee, ik moet het corrigeren: de auteur was gewoon een schrijver die op het einde van de tweede wereldoorlog overleden was, in mijn gedachten was hij fake, een valse profeet, zou ik durven zeggen. Hij was niet die filosoof uit die stoffige kerk in Baltimore die me toen al decennia lang voorhield in deze 21ste eeuw goed en zinvol te leven…

Maar mijn vondst kreeg nog een verrassend kantje. Ergens anders las ik: ‘Het artikel van 8 januari kwam erop neer, dat de tekst die begint met ‘Wees kalm te midden van het lawaai en de haast’ geschreven is door de Amerikaan Max Ehrmann in 1927 en door zijn weduwe is gepubliceerd in 1948. Dat Ehrmann de auteur was, blijkt door Filiep van den Broeck al te zijn onthuld in Onkruid 76 van 1990 (brief mw C. M. de Nijs).’ (School voor Filosofie)

Het was de naam Filiep van den Broeck die mijn hart deed opspringen van vreugde. Een ex-scout zoals ik er ook een ben geweest, maar hij was in vervlogen dagen vooral bedrijvig bij het tijdschrift Onkruid, waar ook Simon Vinkenoog hoge ogen gooide – die woordspeling kon ik niet laten liggen –  en waar ik nog een eitje mee te pellen had, ware het niet dat hij ondertussen hogere regionen heeft opgezocht. (Over die periode kom ik later nog eens op terug als ik de moed heb om dat hoofdstuk aan te snijden…)

Kortom, Filiep, dat deed me weer denken aan die tijd toen je een van mijn gedichten in de publieksruimte van Bossuit wist op te hangen – waarvoor nog altijd heel veel dank! Hij wist het dus al die jaren dat het gedicht in onze inkom helemaal niet in 1692 werd geschreven, maar zoveel later. Waarom heb je mij daar nooit over verteld? Wellicht omdat je nooit in onze inkom hebt gestaan? Omdat wij je nooit hebben uitgenodigd, ondankbare gast die ik ben, nu ik me realiseer met de voeten op de grond te zijn terechtgekomen. Immers, fake nieuws is blijkbaar van alle tijden, nietwaar?

Bij deze kleef ik een paar plakkertjes over de bron van de tekst. Daarop schrijf ik de naam van de echte auteur Max Ehrmann (1872-1945).

Juist is juist. Feiten zijn feiten. Met mijn welgemeend excuus en toch even grote bewondering voor uw gedicht.

 

 

 

Alleen

Nergens heen.

Opvallend hoe de stilte aan me knaagt

als niemand me aanspreekt.

Ik ben een afvallige van een stammentwist

knijp me in de wangen om te voelen of ik leef.

Leef niet als ik enkel mijn holle lijf bewoon.

Want zij is weg van mij voor een heel klein moment.

Voelt als een jarenlang verdwijnen in niets in mij in iets van niets.

Praat ik met mezelf ik zwijg terstond.

Zwijg ik dagenlang ik stotter door de nacht.

Zegt zij ‘ik wil een kus’ ik klem haar vast tot de ochtend komt.

Want wij zijn een in eten en slapen en drinken en weggaan.

Zo eenzaam weten we de dagen te eren van toekomstig verdriet.

Leonard Cohen leeft verder

Leonard Cohen kondigde in ‘You want it darker’ zijn eigen nakende dood aan, en toch was het deze morgen schrikken bij het horen van zijn definitieve eindsong. Hij was voor mij als een tweede vader, een hechte vriend, een held, een inspirator, een kunstenaar eerste klas!

Cohens optreden in Brugge was voor mij de ultieme artistieke ervaring. We stonden op een bijna armlengte verwijderd van hem te luisteren naar deze zo wondere man. De tweede keer met zijn live-optreden in Gent was dan ook te afstandelijk, en met een stel kakelende Nederlanders achter ons, blijft dit slechts een stipje in mijn geheugen, een scherm ver verwijderd van mezelf.

Ik herinner me de allereerste keer dat ik Cohen hoorde, in mijn geboortedorp Moen. Ik zie de straat nog voor mij, met luidsprekers waaruit de zware stem van Cohen weergalmde. Vanaf die jeugdige tijd ben ik fan geworden van deze Canadees. Nu ik 67 ben, noem ik mij geen fan maar een trouwe verre vriend die nu rouwt om zijn heengaan.

Door het jarenlang vertalen van zijn gedichten en songs en het beluisteren van al zijn liedjes is de mens Cohen binnengeslopen in mijn ziel.  De leefwereld van Cohen is zo rijk aan gedachten en beelden en klanken dat je nederig moet toegeven dat je nog niet aan zijn enkels reikt.

Slaapliedje voor mijn broer Wolf

Word wakker, grote broer,
Je hebt genoeg geslapen
Tijd om je laatste voetbalmatch te spelen.
Waarom blijven je ogen dicht
Terwijl je nog zoveel wil zien
Van deze grote wereld?

Jouw hoofd is nu zoveel zwaarder
Van al die stoute dingen
Die zo vanzelf als spoken komen
In de nacht van zwarte gedachten,
Die jij in één salto weg kon lachen.

Maar word toch eindelijk wakker:
Er is nog zoveel moois te beleven,
Het ligt zo voor het rapen:
Als de puzzels die je voor mij maakte.
Als de grote broer van wie ik zoveel leerde.

Maar blijf nu maar slapen
Want de wereld gaat toch om zeep.
Vanuit jouw droom kun jij de mensen redden,
En dan zijn we weer heel dicht bij jou,
In een beter leven, zo gemaakt door jou.

Dirk Rommens

Voor Wolf (°2008-+2015)
11 december 2015

Bootvluchtelingen

topzwaar; naar de morgen geduwd
het schip van de hoop. visgebieden
omzeild, kusten in de holte van handen
gevangen. Maar geen vluchtgebied
zo oneindig als dagenlang drinken
uit lege bekers.

gelaten staren naar de uitgelopen
einders, mist verbergt niets, niets
nemen ze mee. angst drijft hen weg over
zeeën naar morgen en overmorgen.

schipbreukelingen op sleeptouw genomen

pulken aan uitgedroogde woorden
magen kantelen overboord de zilte smaak.

op de rand van de wanhoop
roept een verdwaalde vogel

in een vreemde taal.

Uit ‘De Morgen van het Wit Verdriet’
Yang Poëziereeks
Gent 1988

De tuin

Door het venster zie ik ons lopen
in de tuin, mijn broer en ik.
de wereld van onze kinderjaren;
in het spiegelbeeld kijkt moeder
me tegemoet. Ze wenkt.
Haar stem ademt onhoorbaar
op het vensterglas. In haar ver gezicht
herken ik een glimlach.
In haar ziekbed
zie ik haar zoekende ogen.
Mijn kind van bijna vijftig.
Ze tast en voelt mijn handen.
Je bent zo groot geworden.
Waar is je broer?
Hij zorgt toch goed voor jou?
Ze ziet ons spelen in de tuin.
Ik zie ons samen vlinders vangen.
Haar gezicht trekt wit:
Waarom liet je je grote broer
achter in de tuin?