| Die schroevendraaier is niet van mij. Ik weet het zeker. Hij is van mijn broer. Het heeft geen zin om hem terug te geven. Ik gebruik hem om de stopcontacten vast te zetten. Die zijn na al die jaren wat losgekomen. Telkens als ik een licht aan- of uitschakel zie ik mijn broer. Hij installeerde alle schakelaars in de nieuwbouw. Op alles zit sleet. Ook op verdriet, zeggen ze. Ik denk het niet. Als hij die schroevendraaier ziet, zal hij zeggen:“Ach, ik was hem vergeten. Hou hem maar.” Hij heeft hem niet meer nodig. Hij is al lang dood. |
De toekomst
Zo komt het nooit weer goed.
De dagen slinken in lange nachten
En de wind verbrandt de dorre blaren.
In de wereld dreigen moordenaars
het verleden opnieuw te beleven
In ommuurde kampen van haat.
Mijn droom om oud te worden
In een wereld van liefde
Verbleekt met de angst voor morgen.
Dirk Rommens
Gedichtenweek
Kind in de kosmos
Kind, groot te worden:
achteloosheid kruipt over je frêle huid
met de poten van de macht :
sluipwesp nestelt in woorden,
toch hopend op de klank van waarheid,
de tastende voelhorens.
vaders en moeders: geen spiegelbeeld,
slechts verstomming om de toekomst
waarin laserstralen
boodschappen kerven in oud papier,
wat is de woede? wat is de vreugde?
wat is het kind in de kosmos?
de mond van de dwerg :
vertwijfeld zwijgt de taal van het spel:
huil niet, klinisch dodend
de computerschermen,
speeksel droogt uit op
tafels van geldspuwende mannen.
maar ondanks de 1eugens,
het hypocriete eerbetoon
aan de vergrotende trap,
het meesterschap te heersen,
toch te staren
in de nacht, naar de sterren,
naar de vrijheid:
het totalitaire verdriet.
Dirk Rommens
De Doemdroom?
Zijn stem
zijn stem snakt naar zijn eigen adem
de krassende pijn slikt hij door
met de glimlach
– een grimlach,
als de sneeuw maar vreet in de hitte van zijn huid
dan smeekt hij dan smaakt hij de cellen, de blaren, de bladeren, de stemband kraakt
Tussen door
speeksel klit aan zijn woorden:
stotterend met de klanken van zijn eerste
laatste liefde
of ze jou op profijtige manier
zo tussen door
lief kan hebben?
geef me geen gelijk
sla me over als dit blad
spreek even niet met haar
kluister je vast aan jezelf
alsof je zeer verlegen tegen een meisje lacht
zoen ze kokosnotensmaak zoals in de reclame doe alsof ze nu nog eventjes echt van je houdt
DE STEM IN HET LANDSCHAP
De drummer
de witte ruis klapt open in slagroom
net voor de rust verbreedt in ruige ritmes
slingert hij de ratelende vibrato’s
in stukken geluid haperend aan de stilte,
ingebed in zweetdruppels hitte
emoties staccato vibrerend op de melodie
die uitdeint in zacht geritsel
overspoelt de klank de wereld nu hij
driest de ruimte hakt in ritmisch dansen op de daken?
spant hij de boog overweldigend hamerende bruggen leggend
naar de noot die openspat in vuurwerk? zonder zijn stem draait de wereld zot.
WALCHEREN
de plattegrond maalt niet om de mens die in het niets
zelfs niet verdwijnt, afwezig blijft in zijn evenbeeld,
tot de aarde in de einder oplost, luchtledig wegspoelt
in wat men gemakshalve water noemt, uit bescheidenheid.
ijl, zonder evenwicht tussen zwijgen en zuchten, moedeloos
als de halsbrekende vlakte zich steeds moeiteloos herhaalt –
hij kan over het water wandelen, maar zinkt diep in de aarde,
tot de dijken breken, hij eindelijk vlucht voor rampspoed.
de huisjes, tegen de straatjes gehurkt, lurken aan schoorstenen:
de regen is in stenen gebakken, onderhuids stuwt
de zee tegen de tegels. Lekken stulpend tegen schimmel,
het leven is ongewild afwezig, aftands, mediterend met de ogen dicht.
platgewalst de emoties – egaal scandeert het schaap geblèr tegen
de dijken aan; wollen prikkeldraad scheidt de vlakke wereld niet.
geen eigendomsrecht: drinkbakken waarin eens anoniem gebaden werd:
het ultieme voetbad voor de wandelaar in dit onbewoonbare niemandsland.
niemand zal ooit weten dat ik ademde in dit bedrukte zuchten van de wind;
dat ik tijdelijk de eeuwigheid beroerde, in velerlei gedaanten –
sprekend, luisterend, bewegend in het luchtledige belandde
tot het landschap mij beheerste, als in een schilderij van Turner.
Het Landschap
I London
Baldadig, uitzinnig – de breedtegraad vertrappeld
met de grootsprakerigheid van ingeplante meubels;
zit de toerist op de blote bank zijn tijd te verdoen,
heimwee naar het tuinhuisje van zijn dromen.
de wintertenen opgestapeld langs de opstapplaatsen;
in de bushokjes de adem van look – overdadig de saus:
opgekalefaterd landschap, een avontuur om zeep gebracht
omwille van lege blikjes, lege portemonnees, lege magen.
de trektocht van heen en weer passeren, de handen verschroeid,
geen raakvlak, de ogen gemarteld, kokhalzend –
met het kind als lapsus: de geluidsmuur breekt in de plas.
trap ik erin, struikel ik over de lijdende vorm?
de gevels, op de kaart van de stad, als details getekend:
moeizaam uitgeveegd, een deur die open- en weer dichtgaat,
omdat toevallig een vinger vertwijfeld wijst, zonder repliek:
de druk net iets te dun, als fluwelen beddenlakens.
maar neemt hij niet mee naar de overkant van de stroom –
slibt dicht, verkalkt zijn geheugen deze historische daad:
kansloos te weten de kathedralen van het geld, de in zichzelf
geplooide schaduw kust de hemel, klimt tot bloedens toe.
monumentaal de taal van de stenen – ze spreken eentalig over
het laagje vernis; onderaards in de gangen raast de reuzeworm
flitsende historische momenten: de hitte balanceert op daken,
siertuintjes op onverklaarbare wijze aanwezig waar ik ook kijk.
over de brug tussen oud en nieuw: er is geen keuze,
de vissterfte bedreigt het moraal van de toerist,
die vlucht naar de zekerheden, het bekende liefheeft,
deinend met de massa, probeer ik te doorgronden.

