De stilte schreeuwt

De stilte schreeuwt

De krantenjongen rijt knallend de nacht aan gensters:
Hij brengt de wereld paginabreed bloed en rampspoed
in de roodgloeiende brievenbussen stampvol lijken.

Ik blijf zwijgen want geschreeuw verdoezelt de leugens.
De lippen verdoofd door de aarde die siddert en beeft van angst
om de daden en woorden van heersende heilanden.

Ik ben de kluizenaar die in stilte heerst over de toekomst en het verleden.
Niemand kan mijn woorden vergiftigen met verwerpelijke slogans.
Mijn zwijgen kerft diepe sneden in de mesthoop van leugens.

Dirk Rommens, september 2026

Schroevendraaier

Die schroevendraaier is niet van mij.
Ik weet het zeker.
Hij is van mijn broer.
Het heeft geen zin om hem terug te geven.
Ik gebruik hem om de stopcontacten vast te zetten.

Die zijn na al die jaren wat losgekomen. Telkens als ik een licht
aan- of uitschakel zie ik mijn broer.
Hij installeerde alle schakelaars in de nieuwbouw.
Op alles zit sleet. Ook op verdriet, zeggen ze.

Ik denk het niet. Als hij die schroevendraaier ziet,
zal hij zeggen:“Ach, ik was hem vergeten. Hou hem maar.”
Hij heeft hem niet meer nodig.
Hij is al lang dood.

De toekomst

Zo komt het nooit weer goed.
De dagen slinken in lange nachten
En de wind verbrandt de dorre blaren.

In de wereld dreigen moordenaars
het verleden opnieuw te beleven
In ommuurde kampen van haat.

Mijn droom om oud te worden
In een wereld van liefde
Verbleekt met de angst voor morgen.

Dirk Rommens

Gedichtenweek

Kind in de kosmos


Kind, groot te worden:
achteloosheid kruipt over je frêle huid
met de poten van de macht :
sluipwesp nestelt in woorden,
toch hopend op de klank van waarheid,
de tastende voelhorens.


vaders en moeders: geen spiegelbeeld,
slechts verstomming om de toekomst
waarin laserstralen
boodschappen kerven in oud papier,
wat is de woede? wat is de vreugde?
wat is het kind in de kosmos?


de mond van de dwerg :
vertwijfeld zwijgt de taal van het spel:
huil niet, klinisch dodend
de computerschermen,
speeksel droogt uit op
tafels van geldspuwende mannen.


maar ondanks de 1eugens,
het hypocriete eerbetoon
aan de vergrotende trap,
het meesterschap te heersen,
toch te staren
in de nacht, naar de sterren,
naar de vrijheid:
het totalitaire verdriet.

Dirk Rommens

Zijn stem

zijn stem snakt naar zijn eigen adem
de krassende pijn slikt hij door
met de glimlach
– een grimlach,

als de sneeuw maar vreet in de hitte van zijn huid
dan smeekt hij dan smaakt hij de cellen, de blaren, de bladeren, de stemband kraakt

Tussen door

speeksel klit aan zijn woorden:

stotterend met de klanken van zijn eerste
laatste liefde

of ze jou op profijtige manier
zo tussen door
lief kan hebben?

geef me geen gelijk
sla me over als dit blad
spreek even niet met haar

kluister je vast aan jezelf

alsof je zeer verlegen tegen een meisje lacht

zoen ze kokosnotensmaak zoals in de reclame doe alsof ze nu nog eventjes echt van je houdt

DE STEM IN HET LANDSCHAP

De drummer

de witte ruis klapt open in slagroom

net voor de rust verbreedt in ruige ritmes
slingert hij de ratelende vibrato’s
in stukken geluid haperend aan de stilte,
ingebed in zweetdruppels hitte

emoties staccato vibrerend op de melodie
die uitdeint in zacht geritsel

overspoelt de klank de wereld nu hij

driest de ruimte hakt in ritmisch dansen op de daken?

spant hij de boog overweldigend hamerende bruggen leggend
naar de noot die openspat in vuurwerk? zonder zijn stem draait de wereld zot.

WALCHEREN


de plattegrond maalt niet om de mens die in het niets
zelfs niet verdwijnt, afwezig blijft in zijn evenbeeld,
tot de aarde in de einder oplost, luchtledig wegspoelt
in wat men gemakshalve water noemt, uit bescheidenheid.

ijl, zonder evenwicht tussen zwijgen en zuchten, moedeloos
als de halsbrekende vlakte zich steeds moeiteloos herhaalt –
hij kan over het water wandelen, maar zinkt diep in de aarde,
tot de dijken breken, hij eindelijk vlucht voor rampspoed.

de huisjes, tegen de straatjes gehurkt, lurken aan schoorstenen:
de regen is in stenen gebakken, onderhuids stuwt
de zee tegen de tegels. Lekken stulpend tegen schimmel,
het leven is ongewild afwezig, aftands, mediterend met de ogen dicht.

platgewalst de emoties – egaal scandeert het schaap geblèr tegen
de dijken aan; wollen prikkeldraad scheidt de vlakke wereld niet.
geen eigendomsrecht: drinkbakken waarin eens anoniem gebaden werd:
het ultieme voetbad voor de wandelaar in dit onbewoonbare niemandsland.

niemand zal ooit weten dat ik ademde in dit bedrukte zuchten van de wind;
dat ik tijdelijk de eeuwigheid beroerde, in velerlei gedaanten –
sprekend, luisterend, bewegend in het luchtledige belandde
tot het landschap mij beheerste, als in een schilderij van Turner.