Proza: Moen op de kaart van het geheugen

DIRK ROMMENS

DE PUT VAN DE VERBEELDING

Aan het stuur, een deksel van een kom, nee, het was een vreemde cirkelvormige metalen schijf,   met gaten in; aan dat stuur reed ik tegen onvoorstelbare snelheden, ver weg van die amper twee  vierkante meter grond die van ons was. Een stukje eigendom van de kinderen in die van mijn  vader, ingesloten tussen de tuinen van de buren en onze eigen tuin, amper een smalle streep  aarde waarin vader aardappelen plantte, en groenten heel zorgvuldig kweekte alsof de  oorlogsjaren nog steeds niet voorbij waren en waar moeder jaar na jaar en stukje bij beetje  deeltjes moestuin ging inpalmen in ruil voor bomen, struiken en gras. Wij waren de trotse  eigenaars van een stukje grond van schat-ik twee bij twee meter. De kuil die we moeizaam  groeven, mijn broer en ik, was ons koninkrijk. De randen stootten we scherp af, zodat wij  haarscherp de lagen van de aarde zagen, en in die verticale kant, daar sloegen wij een rechte  stok in, eerst voor het stuur, dan voor de versnellingspook, en onderaan stopten we kleine plankjes, voor het rem- en het ontkoppelingspedaal. Nu nog een zitting. Verder niks meer. Wij raasden in onze auto door de straten en de wegen en de stegen en we waren op onze paar vierkante meterde koning te rijk.

De vrachtwagen, een speelgoedvoertuig dat Sinterklaas vermoedelijk nog bij Bekaert had  geleverd, hielp me mij mijn stap in de grote wereld zetten. Ik vervoerde tonnen zand, stenen,  aarde. Achteruitrijden was een moeilijke klus met zo’n zware vrachtwagen door de smalle  tuinweg, Ik leerde dat je verbeelding nooit door de werkelijkheid zou verraden worden, dat het  sturen met een onzichtbaar stuur, en het ronken van de motor met soms pijnlijk trillende lippen,  zoveel echter was dan het geluid van de motoren van voortrazende auto’s.

De kindertijd. Je vraagt je af of het allemaal nog eens klaar voor je geest zal staan, zoals je die put  herinnert waar je je als in de cockpit van een racewagen voelde, zoals je nog de geur van kleffe  aarde proeft die je een beetje bang maakte, want een put is een put, en het kerkhof is nabij.  Enkele meters verder lag je poes, begraven na de klap die ze kreeg van die verdomde auto,

Herinneringen, ze komen en gaan, net als de seizoenen onherroepelijk over je heen de  verkleurde bladeren strooien. Een blad blijft aan je schaduw hangen, volgt als een bange hond  de luchtverplaatsing van je voet. De voetafdruk in de weg die loopt naar de achterdeur verdwijnt  in de zovele stappen over de jaren heen. Tot een onwillekeurige gedachte als een veertje van  een voorbijvliegende vogel voor je ogen zweeft, Je weet eerst niet wat je ziet, wat je voelt. De  jonge jaren van de verwachting naar beter en meer van jezelf, in een voort tollende beweging  van nieuwe ervaringen, zorgt ervoor dat je niet blijft haperen aan die gedachten van weleer.  Omwille van de heilige toekomst droom je niet van een ver verleden.

Komt de dag datje in de cirkel van verleden en heden rondtolt, ervaringen opgestapeld hebt dat  je eindelijk eens de ballast van het gewicht van de jaren van je afgooit, en op zoek gaat naar het  fundament. Komt dan de door ouderen voorspelbare dag dat je die cirkel doorbreekt waarin je  als mens tot in het middelpunt van je zijn wilde reiken. In het besef datje er nooit zult in slagen de  pitte proeven van het geluk waar je als kind van droomde. Zodat je ten einde raad weer naar het  verleden graaft, omdat je ophoudt met bouwen op de ervaring die wel zekerheid, maar geen  uitzicht biedt, op verwezenlijkheden, die slechts begoochelingen zijn. En het spel en de  tekeningen van je eigen kinderen tonen je in angstige kleuren wat je na al die jaren dan toch niet  bereikt hebt.

De kaap van de veertig drijft op je af, alsof elke stroomversnelling, elke bocht voorspeld is op de  stafkaart van je weten. Uiteindelijk kom je toch eens terecht in de draaikolk van gedachten die  naar jezelf teruggaan. Naar je kind-zijn, want of je nu wil of niet, je betaalt de tol van je bestaan in  klinkende herinneringen, die je bij wijlen doen opschrikken, alsof je muntstukken uit de nerven van  de la plukt, alleen maar omdat het betasten ervan je de moeite waard lijkt.

DIEREN- EN MENSENLEED

De centimeterlange sprinkhaan op de muur die door vader wordt platgeslagen, en de groene  eitjes, die als een uitlopende eierdooier naar beneden druipen. Wat er voor en na gebeurd is, is  blank gebleven in mijn hersenen. Hoe vaak heb ik dit beeld als in een verhevigde flash-back niet  opnieuw beleefd? Maar is wat je voor de ogen komt, wel ooit echt gebeurd, of heb je het  gedroomd in een van je nachtmerries, die je als kind beleefde toen de koorts je opnam en je  lichaam deed zweven alsof je ijl geworden was en de benauwende druk op je ogen je deed  uitschreeuwen van angst? Was die ene verpletterende sprinkhaan een waanbeeld, het resultaat  van je op hol geslagen verbeelding? Waarom heeft dit ene beeld zo’n indruk gemaakt, terwijl  veel ergere slachtpartijen zich dagelijks op het televisiescherm voor mij afspelen? Waarom beleef  ik de angst zo hevig bij het zien van de miljoenen sprinkhanen die in de derdewereld hele vlakten  leegvreten? Hoe kan dit ene beeld van vaders (?) schoenzool op die éne sprinkhaan zolang  bijblijven? Ook al lijkt deze gebeurtenis zo’n indruk te hebben gemaakt op mijn netvlies, en is het  beeld onuitwisbaar gemerkt in mijn hersenen, het zou echt gebeurd künnen zijn. Maar het kan  evengoed verbeelding geweest zijn. Ben ik de enige getuige van deze aanslag op één enkele  sprinkhaan?

Over die andere ervaring met een kever, durfde ik nooit met iemand te spreken omdat ze mij voor  gek zouden verslijten. Ik weet overigens niet meer hoe oud ik was toen die kever in mijn leven mijn  hersenpan binnenbrak. Ik zie alleen een metalen groen geschilderde poort, met een gaatje in  het metaal waar je doorheen kon kijken, als was er een kogel in geslagen. Verder lijkt het alsof ik  door muren afgesloten ben van de wereld. Betonnen platen omheinen een kleine koer, bijna  compleet van de wereld afgesneden. Toch is het alsof ik in deze afgesloten plek het gevoel heb  in een onmetelijke ruimte te zijn opgenomen waar iemand – God? alles ziet. Die poort; bloed aan  mijn hand nadat ik er een keer met mijn vingers had tussen gezeten, Geen tranen, en ik beet op  mijn tanden om niet te schreeuwen.

Ik hou een stokje in mijn handen, een fijne tak die ik van een boom had afgebroken, zowat een  meter lang, want ik hoef me niet te buigen. Ik zie het voor mijn ogen gebeuren, alsof het iemand  anders was, Met dit stokje duw ik een kever vooruit. Het diertje vlucht steeds opnieuw weg,  willekeurige richtingen uit, op zoek naar een schuilplaats. Ik blijf het zwarte diertje aanporren, ik  voel me goed dat ik zoveel macht heb over dat kleine insect. Ik geraak helemaal opgewonden  alsof ik een geheim spelletje speel, waar niemand iets van afweet. Plotseling schiet een straal  vocht in mijn ogen. Ik ben verblind, het doet pijn, het prikt mijn oogleden, Dat kreng heeft me  ondergespoten, stel ik verbaasd vast. Ik trap rond van woede, in de hoop het diertje te raken, te  verpletteren. Of is God rechtstreeks tussengekomen, heeft hij mij persoonlijk gestraft door een  straal vocht in mijn ogen te spuiten, alsof hij een enorme tuinslang op mijn ogen had gericht, daar  vanuit die verre hemel? Vulde hij die slang met regenwater uit de voorbijdrijvende wolken? Had  hij mij echt gezien, zoals hij ook geschreven had, in de palm van zijn hand?

Ik durfde er met niemand over te spreken, ook niet in de biechtstoel. Die priester zou me wel een  naar ventje gevonden hebben, die zomaar om zijn plezier diertjes plaagt, Zou zo’n kever in staat  zijn zich op die manier te verdedigen? Of kwam God zélf tussen? Of was het mijn broer die me  stiekem aan het begluren was (doorheen het gat in de poort) en op het gepaste moment een  fijne straal water in de ogen had gemikt om mij een lesje te leren hoe ik de natuur moest  respecteren. Heeft hij met een welgemikte straal een einde aan mijn pesterij gemaakt?  Sindsdien wantrouw ik de dieren, zelfs de kleinste insecten. Kevers vind ik walgelijk want ik weet  niet of zij, net als die loopkever, ook geheime wapens bezitten. Ik trap ze ongemeen hard meteen  dood. Want je weet echt niet hoe ze reageren als je hen bij voorbeeld vriendelijk zou bejegenen.

Ook al had ik vanuit mezelf geen zwak voor dieren, ik liet me echt niet onbetuigd moeder natuur  een beetje naar mijn hand te zetten. Mijn broer had het dan wél voor de vele verschillende  levende dieren, maar het gamma verzamelingen beperkte zich gelukkig tot het veelvuldig  vangen van vlinders en motten (die hij kieskeurig “nachtvlinders” noemde), bijen en wespen (waar  wij toen nog weinig verschillen in merkten), of ander klein tuig. In het verste deel van het kot waar  hij onder meer zijn oude radio’s en onderdelen bij mekaar bracht, had hij dan ook vaak hele  verzamelingen potten, waar slechts de ingewijden een en ander konden van zien. Moeder en  zuster kwamen zelden zo ver, want ze wisten dat daar een en ander rond de oren kon zoemen.  Later kwamen daar wel witte muizen bij, die de menselijke voorplanting meer dan eer aandeden.  Op den duur zag het je wit voor je ogen, zodat er niets anders opzat dan een grootscheeps maar  dieronvriendelijk einde te maken aan dit verhaal.

Ook al lijkt het nu vrij sinister, we gingen geregeld vliegen vangen, en voedden, allemaal in het  licht van een grondige studie van deze schepselen Gods, het liefst de dikste spinnen met de  mooiste webben. Indrukwekkend was het uitbreken van zo’n nest spinnetjes, duizenden witte  stipjes kriskras door elkaar wriemelende insectjes die elk hun weg zochten naar de volwassenheid.  Of wonderbaar was het stimuleren van de zenuwschokken bij een verpopte rups. Rupsen die vaak  eerst met vervaarlijke hoorn op de kop langzaam ingekapseld werden en na enkele weken als  prachtexemplaar van een nog ongeziene soort vlinders werden opgespeld, moesten hun  metamorfose met de dood bekopen. Nee, die kindertijd had veel weg van een onverbiddelijke  strijd tussen de mens en het dier, En meestal wonnen we, maar we dachten toen ook al dat zij het  uiteindelijk toch zouden halen omdat zij in de meerderheid waren.

In die kleine tuin achter het huis groeiden struiken en bomen, zodat we in die tijd bijna de enigen  waren die ons van de buren hadden afgeschermd door een veilig scherm van groen. De  treurwilg nam op den duur zulke uitbreiding, zodat de takken over de tuinen van de buren  groeiden, wat voor problemen zorgde, zodat er nu alleen een afgezaagde knots van over is  gebleven, In het achterste deel van het kot waar we uren versleten als kind, liggen nog resten van  onze ontdekkingstocht doorheen de natuur en de techniek; verroeste radio-onderdelen,  schroefjes en spijkers, een oude microfoonstaander en de microfoon waarvan alleen het  omhulsel overbleef. Lege glazen potten. Relikwieën uit een voorbije tijd.

 

HET WONDEROOG VAN DE MUZIEK

Op de oude radio zat een magisch oog. Als een eenogig monster keek het je aan, en als je aan  de afstemmingsknop draaide, ging de driehoekige pupil open of dicht. De wijzer schoof over de  verschillende zendstations als je aan die knop draaide. “Lille, Bruxelles, Madrid, Bonn”, die en vele  andere namen kon je aflezen op de schaalindeling zodat je met de naald de hele wereld kon  afreizen. Nu tast je in moderne tuners alleen nietszeggende cijfers af. Toen was je in Bonn als je  Duits hoorde spreken, of op zee op een stipje op het glas tussen de West-Vlaamse zender en een  Franse, want de toen nog illegale privézenders kregen uiteraard geen officieel plaatsje  toegewezen.

Alsof die stemmen uit het heelal geplukt werden, hoorde je de nasale stem of de hol klinkende  muziek uit de luidspreker stromen, vaak in een aan- en uitdijende beweging, op de golven van  de afstand, tot in een klein dorp, zoals Moen. Talen die je nog nooit gehoord had, kwamen op je  af, zwegen als jij het wilde, begonnen te praten als het groene magische oog open stond.

Een televisietoestel was er lang nog niet, en het duurde wel tot we ouder dan zestien waren, toen  ze thuis overtuigd waren dat zo’n beeldbuis in de huiskamer wel noodzakelijk was. Het eerste  toestel werd toch beschouwd als een noodzakelijk kwaad en mocht dus geen geld kosten, want  het had iets duivels over zich. Dus werd het een tweedehands al versleten toestel, met het gevolg  dat we vaak vervormde gezichten te zien kregen, zodat we ons meer ergerden dan dat wij er  plezier aan beleefden. Het ergste was als het beeld begon te schuiven, van onder naar boven, de  hele avond door, zodat we in onze geest kin en voorhoofd op de juiste plaats moesten zetten, en  als we een beetje meer stroom hadden, dan konden we zonder veel ergernis een uitzending  volgen, De tinten tussen zwart en wit waren door de ouderdom van het toestel beperkt tot grijs en  grijzer, Maar het was een hele stap tussen het volledig bannen van een TV en het dulden van dat  meubelstuk, dat later in vele huiskamers vaak de meest gerespecteerde spreekbuis zou worden in  onze samenleving. Dat het in een periode van twintig-dertig jaar enorm geëvolueerd is, vooral op  het vlak van communicatiemiddelen en technologische mogelijkheden ervaar ik het best als ik  de leefwereld van mijn kinderen vergelijk met die van mijn kindertijd. Slechts enkele beelden  bleven me bij, maar die zijn dan ook zo typerend, dat ik er moet om glimlachen als ik nu zie hoe  kinderen op jonge leeftijd computers, geluidsinstallaties en elektronische spelletjes bedienen,  alsof ze die handigheid met de melk zijn “ingeput”. De kinderen zijn niet anders dan in onze tijd,  denk ik dan echt heel vaderlijk: wij zouden niks anders gedaan hebben, hadden we over  dezelfde middelen beschikt, dertig jaar geleden. Spreek ik voor mezelf, ik weet het niet. Maar één  gebeurtenis tekent die tijd waarin ik kennis maakte met het technologisch wonder dat de mens  stilletjes aan het ontdekken was. De elektronica in de startblokken, zo lijkt het.

Een flashback: een jongen van een jaar of tien, boekentas in de hand, de kiel, de grijze stofjas,  dichtgeknoopt. Op weg naar zijn huis, met een glimlach op de lippen. Wat was er aan de hand?

Er was biecht geweest. Ik voelde me opgelucht, want zo hoorde het toch, Je had gezegd dat je  zoveel keer gelogen had, je voegde een aannemelijk getal van onbeleefdheden aan toe, en als  je echt niet wist wat zeggen, vertelde je dat je te laat was gekomen in de mis, of dat je verstrooid  was geweest. Soms lag je er wel wakker van of je nu niet zou overdrijven als je zou bekennen dat je daarenboven ook nog eens op de hostie had gekauwd, of erger nog – dat je eigenlijk korter  dan een uur geleden gegeten had voor je de hostie had ontvangen. Het was meestal moeilijker  te bedenken wat je aan de biechtvader zou kwijt geraken en wat een beetje aannemelijk was,  dan de “grote zonden” op te biechten. Overigens, het duurde wel een hele poos toen je doorhad  welke precies die doodzonden waren.

In ieder geval, die dag waren er twee redenen om echt gelukkig te zijn: de biecht was vlot  verlopen, zonder te veel gepreek, en het had niet lang geduurd, maar vooral: thuis hadden ze  een platendraaier gekocht. Die moest aangesloten worden aan de radio met het toveroog. Dan  zouden we kunnen luisteren naar… één grammofoonplaatje, een vijfenveertigtoerenplaatje, wat  moeder eens als presentje had gekregen van een handelsreiziger, die dat plaatje weer had van  een kennis, enz.

Onder de radio was een plank die, als je ze openklapte, dienst deed als schrijftafel, en daarachter zou de platenspeler komen. Vanaf het magische ogenblik dat dit staaltje van elektrisch vernuft er stond, was dit een van mijn geliefde hoekjes van de leefkamer. Mijn broer had een technische knobbel, dus aansluiten bleek helemaal geen probleem. Die éne plaat draaiden we dus helemaal stuk maar gelukkig verkochten ze in de elektriciteitswinkel aan de andere kant van de straat ook nog goedkope plaatjes. Naast “Infiniment je ’t aime”, kwam er versterking vanuit Engelstalige hoek alhoewel beperkt tot de titels, want alles was orkestraal. De Franse taal bleef nog een hele tijd in, en “Petite fleur” speelden we grijs, en toen kwam er een versie van “When the saints go marching in”, en onze platencollectie groeide allengs aan. Hoogtepunt van die tijd was de aanschaf van een LP, in een formaat dat nu niet meer gemaakt wordt, maar met bestsellers als “Manhattan spiritual” en met Esterella die toen in de Vlaamse huiskamer volop furore maakte,

Zo werd ik vermoedelijk de jongste DJ van het land en met het kleinste publiek. Ik was vaak zowel mond als oor, door zelf mijn programma’s te verzorgen, en dank zij de microfoon die we later aan onze installatie toevoegden, presenteerde Ik door mijzelf aangevraagde plaatjes, en ik voelde me even belangrijk als een disk-jockey van de toenmalige sluikzenders Veronica of Caroline. Ik was de kapitein van het schip dat door de woeste wateren, buiten de territoriale gebieden, ook nog uitzendingen verzorgde. Maar mijn muziek klonk nog niet Angelsaksisch. Integendeel.

Het was de tijd waarin het Franse lied nog altijd hoge toppen scheerde, en ik bleek ook kind van  mijn tijd te zijn geweest. Een keer had ik de stap willen zetten naar dat soort popmuziek dat nog  door heel wat ouders als slecht en lelijk werd omschreven. Bij mijn plechtige communie mocht ik  van mijn tante een singletje kiezen: Elvis Presley of Tino Rossi. Ik wist meteen watte kiezen, maar uit familiale overwegingen en onder morele druk van het hele gezin, moest ik Presley afzweren. De Beatles, de Rolling Stones, dat waren de indringers die onze Vlaamse jongeren zouden bedwelmen. Dus Elvis was de klos. De Franse grens lag heel dicht, ook toen, dus hadden we meer belang om ons mooiste Frans uit te halen, en naar Franse vedetten te luisteren dan naar die Engelse kwijlers, want daar begrepen de verontruste ouders niks van: daar waren ze dan ook helemaal niet gerust in.

Zo kwam het dat ik eigenlijk via een tussenstap de Engelse pop leerde kennen, De man die in de  tijdsschriften die we toen lazen (met Salut les Copains vooraan) het mooie weer maakte, was  Richard Anthony – en ook zijn naam had al iets Engelstalig over zich. De meeste van zijn nummers waren immers vertalingen uit het Engels (nummers van o.m. diezelfde Beatles) zodat het gedachtengoed van die verfoeilijke anglofiele wereld dan toch ongemerkt de huiskamer binnen sijpelde. Tot mijn verbazing staat vandaag de dag een nummer in de top-tien dat in die tijd in het Frans ook al door diezelfde Richard Anthony gezongen werd.

Die platendraaier, die oude wonderradio met zijn groen-rode oog, die krassende platen openden voor mij de ogen op de wereld van de communicatie en de muziek. En we leerden onze gevoelens verwoorden, door mee te zingen, steeds weer dezelfde liedjes. “Zadel nog eenmaal mijn paard”, fluisterde een zingende pater, in navolging van de Franstalige soeur Sourire. Wat er van hem terecht is gekomen, weet ik niet. Wellicht weinig anders dan van de zuster, Muziek is voor mij dus al van kindsbeen af van grote betekenis geweest. De kleinkunst werd je toen als met de paplepel ingegoten, en je voelde je met dat amalgaan van Vlaamse, Nederlandse, Engels, Amerikaanse en Franse talen toen al een stukje wereldburger.

Waarom ik dan een stuk de Franse muziekwereld de rug heb toegekeerd, is begrijpelijk. Toen al  was het duidelijk dat de moderne muziektaal het Engels zou worden. Maar wellicht heeft  volgende anekdote eigenlijk ook te maken met mijn aversie voor al wat Frans klonk – natuurlijk  ontken ik niet dat ik mij later meer en meer als volwaardige Vlaamse burger ging voelen, en dat je  als Vlaming niet in de hoek moest zitten pruilen. Maar ook op dat vlak was de allergie tegen het  Frans, eerder gebaseerd op een negatieve grondhouding, die ik, door één opmerking van een  leerkracht moet gekregen hebben, denk ik.

Twaalf jaar, Tijd dus voor de “grote school”, Het moment was aangebroken, Ik zou naar Kortrijk  gaan, bij de broeders, Elke dag met de fiets naar het station en dan met de bus, Zes jaar lang. Een  eerste kennismaking met het Frans, werd me fataal. De leraar stelde vragen in het Frans,  vermoedelijk om onze kennis te testen. Ik moest “Oui” antwoorden – maar toen bleek dat ik  “Ooo-wie” zei, waarop de leerkracht nogal vernederend vroeg waar ik Frans geleerd had. Ik  vergeet nooit op welke kleinerende manier ik door mijn nieuwe (toekomstige) vriendjes werd  aangegaapt – ook al zal dat wel een stuk verbeelding geweest zijn. Op die enkele seconden  verloor ik het vertrouwen in mezelf, en moet ik een hartsgrondige hekel hebben aangekweekt  tegen het Frans – weliswaar in eerste instantie tegen die bewuste leerkracht, die zich zeker van dit  voorvalletje niks meer zal herinneren. Wat alweer bewijst hoe één enkel woord, of een blik, of een  antwoord, een geste, een kuch, een invloed kan hebben op je hele leven, Overigens hebben de  lessen die je niet gekregen hebt ook een invloed op je leven, zoals in mijn geval de lessen van  muziek, die vaak verloren gingen in het tumult, want het ging er meestal heel plezant aan toe.  Achteraf voel ik dat aan als een zeer groot tekort in mijn opleiding, een lacune die je moeilijk  achteraf kunt invullen, Maar mijn liefde voor de muziek is gelukkig gebleven, en de oude,  krassende platen van Richard Anthony, met de verfomfaaide hoezen, liggen nog steeds binnen  handbereik als de nostalgie te groot wordt, En France Gall die in onze jeugdjaren hoog scoorde,  doet het ondanks mijn anglofiele opleiding ook bij mij nog best. Ik heb m.a.w, geleerd dat de  rijkdom van de talen je eigen leven alleen maar kan verrijken.

 

PAADJES IN DE HERSENSCHORS

Ik rijd met de fiets op een wegeltje; daarnaast een sloot, en daar nog eens langs een bredere  weg. Diepe sporen van karren en tractoren. Rechts van de met vloertegels verharde weg, is de  piste, die later gewoon weiland zou worden, Net voor de helling naar de brug toe over het kanaal  Kortrijk-Bossuit, staat een afgezonderd huis. Daarbinnen leeft een geheimzinnig man, We weten  niet of hij getrouwd is, of hij kinderen heeft. Hij heeft een droeve blik, kijkt je van boven zijn brilletje  onderzoekend aan. Hij spreekt zelden. We zeggen hem gewoon wat er fout is, en tonen hem de  kapotte schoen. Zij atelier ruikt naar leer, overal zijn planken om hem heen, gevuld met schoenen  en vreemdsoortig gereedschap maar we zien zijn handen bezig, altijd bezig, Hij mompelt  wanneer we terug mogen komen. Hoe oud hij is, weten we niet. Ik heb hem altijd oud gekend,  een mager mannetje, dat steeds in zijn atelier bezig was, telkens als je langskwam, We kenden  alleen zijn voornaam, want we wilden geen spons vegen over de geheimzinnigheid door alles  over hem te willen weten. Hij had iets van een denker, een in de eenzaamheid tot wijsheid  gekomen ouderling, die bang was voor de mensen die bij hem binnendrongen. Zijn naam had  trouwens iets bijbels, wat de indruk nog versterkte dat hij geen gewone schoenmaker was, in wiens  hart wij niet konden binnendringen.

Het huis is verdwenen, verzwolgen in de verslindende honger van de vooruitgang. Ik kijk steeds  weer naar leegten, open ruimten waarin herinneringen verborgen liggen, Maar op een  boogscheut van de lege vlek ruik ik nog de geur van leer.

Een jongentje wankelt, aarzelt af en toe, blijft nu en dan staan. Gaat weer door. Op zijn voorhoofd  merk je een gezwel, wit. Hij huilt een beetje, maar je moet heel dicht bij hem komen om het te  horen, Hij weet niet waarom hij huilt; hij voelt zich niet goed. Hij wil alleen maar zo vlug mogelijk  thuis zijn. Wat is er gebeurd? Hij weet het niet. Hij wil alleen zo vlug mogelijk slapen. Lang slapen.  Zijn voorhoofd draagt hij voor zich uit, met zijn groeiende voelhorens herkent hij de weg. Eindelijk,  thuis.

Moeder schrikt. Wat is er gebeurd? Op school. Je ogen staan raar, hoort hij iemand verweg  fluisteren. Nu snikt hij het uit.

De dokter stelt een hersenschudding vast. De meester komt langs, denkt hij. Dirk is tegen een paal  gelopen, op de speelplaats.

Alsof hij vanuit een andere kamer schimmen ziet praten, de monden als vlaggen; ze waaien aan  hem voorbij. Hij ziet door zijn oogleden, herkent een hand op zijn haren. De hand van moeder.  Hoort hij in zijn droom de stemmen van de mensen?

Hij speelt, wordt achtervolgd in het spel, kijkt om, en pats, sterren ziet hij om zich heen, echte  sterren zoals in een stripverhaal. Hij blijft een tijdje liggen (weet niet hoelang), staat op, probeert  het, maar kan zijn evenwicht niet meer houden, struikelt en valt weer, Hij mag naar huis gaan. Hij  voelt met zijn hand aan zijn voorhoofd. Een ontzettend grote buil. Het doet geen pijn. Het is alleen  zo onvoorstelbaar eng geworden om hem heen. Hoofden zwijgen. Stemmen zweven heen en  terug, wat ze zeggen, begrijpt hij niet. Wie is hij?

Wat is er gebeurd? De dokter zegt dat Dirk acht dagen in complete duisternis moet blijven liggen.  Volledige rust. Hersenschudding. Vreemd gevoel alsof je een andere bent geworden, in een  ander lichaam. De kamer is zwart en de gedachten fladderen er in rond, ais vleermuizen op zoek  naar prooien, laag scherend over het voorhoofd, pikkend op die grote buil: een ei. Hij is alleen  met zichzelf en de dieren, die ronddraaien in een oneindige draaikolk. Tot hij valt. Hij krijgt een  mep van een ijzeren, groene paal die hem knock-out slaat.

***

De kleuterklas. Een verbolgen zuster. Een dreigende vinger. Dirk toch, wat heb je gedaan? Ik durf  niet op te kijken, voel mijn ogen met tranen volstromen. Ik word flink berispt. Mijn buur staat uit te  huilen bij de zuster, die hem troost, in zijn ene oor tuurt, want die doet pijn. Ik heb met een stokje in  zijn oor geduwd. Hopelijk heb je zijn trommelvlies niet geraakt, zucht de zuster die nog eens  spinnijdig in mijn richting kijkt. Word ik straks opgesloten, kom ik in de gevangenis terecht? Angst  overmeestert mij. Enge buur. Enge zuster, ’t Was toch maar een grap. Zat ik toevallig in zijn oor. Hij  had me toch ook gepest. Die ene herinnering uit de kleuterklas is mij bijgebleven, vermoedelijk  om de angst die nog lang natrilde. De eerste les in geweldloosheid?

***

De meester loopt door de twee rijen door. De bel rinkelt. Stilte in de gelederen! De meester  controleert of de leerlingen van de eerste klas er allemaal zijn.

Ah, Dirk is terug van weggeweest. Ziek geweest, Dirk?

Ja, meester, ik heb de schaaphoest gehad.

Zo’n hoest die je de rest van je leven bijblijft.

***

Grootmoeder was alleen, zonder iemand iets te zeggen, op haar ouderdom, van haar huis tot bij  ons gekomen. Over de brug, die lange afstand die ze voetje voor voetje had afgelegd. Maar  meter, toch, waarom doe je dat? Je hebt ons enorm doen schrikken. Ik moest toch komen werken, zegt ze, ietwat verongelijkt. Dat was natuurlijk zo, maar je had ten minste kunnen verwittigen dat je zou komen.

Waar was ik de vorige keer gebleven ? Mijn zus zoekt het boek waar ze de laatste keer uit voorlas,  Dat is meters werk. Terwijl moeder en zus zitten te naaien en te stikken, leest oma voor uit een boek. Ik luister vanuit de andere kamer naar haar egale stem. Soms hapert ze aan woorden. Ze leest steeds opnieuw dezelfde bladzijde, maar ze blijft werken, want zo hoort het. In je leven moet je werken. Anders niks. Ze is de laatste tijd helemaal in de war, Op het einde van een bladzijde  begint ze opnieuw aan de linker kant. Of ze keert terug, het verhaal stokt, de inhoud herhaalt zich  eindeloos. Mijn zus draait nu zelf de bladzijde. Oma leest door. Ze werkt. Ze kan niet rusteloos  toezien hoe de anderen actief bezig zijn. Zij kan niet stilzitten.

De laatste keer dat oma bij ons kwam werken, had ze haar boek gewoon op de kachel gelegd.  Gelukkig hadden we het op tijd gemerkt, alleen de kaft was verschroeid, de plasticomslag was  zacht geworden, Niemand die er over morde. We stelden het gewoon vast. Iedereen kan toch  eens verstrooid zijn.

Oma kon kort daarna niet meer komen. Ik hield van haar knokige handen die de woorden  aftastten alsof ze steken breide aan een enorme wollen trui die voor ons bestemd was. Het werd heel koud toen ze, na een leven van werken, haar werkstuk aan de Heer afleverde.

***

Het stukje weg tussen de brug over het kanaal en de bocht aan Bavegem boezemde mij steeds  een stuk angst in. Aan de ene kant was een sloot, het voetbalveld afgesloten met betonnen  platen, die vervaarlijk helden naar de kant van het fietspad, maar het gevaar kwam vooral van  de andere kant van de weg. De putten! O, we hadden wel eens meer met opa de diepte  afgedaald, en we vonden het spannend om op ontdekkingsreis te gaan, want de natuur had  voor een prachtige biotoop gezorgd. Verhalen deden de ronde dat je door een verkeerde stap  in een moeras kon terechtkomen, dat je door die zachte kleiaarde naar beneden werd  gezogen, dat roepen om hulp geen effect zou hebben, aangezien je er door niemand zou  gehoord worden, Vogels broedden er, er had zich na de jaren een “bos” gevormd, en de  kikkerpoelen boden een rijkdom van insecten en kleine dieren. In mijn kinderogen leek deze door  mensenhanden geslagen deuk in het landschap op een zoveelste natuurwonder. En de  graafmachines sneden als plakjes kaas de kleiaarde af. En het treintje naar de steenbakkerij! Het  ratelde over de sporen die de straat kruisten. Geweldig was het dat die auto’s stopten voor die  trage rups die over de straat heen kroop. Die machinist! Wat een leven, dacht ik, ik wou dat ik dat  treintje kon besturen. Van tussen een rij huizen kwam hij, de machinist, staande op het tuffende  locomotiefje, zich vergewissend of hij het verkeer niet zou hinderen, en hij verdween in de richting  van de kleiputten. Zijn wagons volgeladen, nu zwoegend om het grote gewicht, kwam het treintje  terug alsof het een eeuwigheid was weggebleven. De steenbakkerij bakte van deze deeg stenen,  Moensteen,

Daar waren we trots op, toen de zware vrachtwagens, volgeladen met stenen, de brug op torsten.  We wisten dat die Moense stenen zouden gebruikt worden voor huizen, scholen, fabrieken. Niette  verwonderen dat een van mijn liefste Sinterklaasgeschenken, een speelgoedvrachtwagen was.  Nooit speelde ik nog intenser dan met die vrachtwagen.

Er is helaas niks meer van overgebleven. De schoorsteen en de hele steenbakkerij met de grond  gelijk, gemaakt. De putten worden langzaam maar zeker volgestouwd met vuilnis. Het  kinderparadijs zachtjes toegedekt onder de overschotten van onze weelde. Zand erover.

 

DE OMWOELDE AARDE

Niets is zoals het ooit is geweest. De wegen zijn verdwenen, de modder die ik aan de stenen  afschraapte is opgedroogd en werd elders gebruikt om nieuwe heuvels te creëren. Er zijn alleen  huizen en straten, wegen en bosjes in mijn geheugen overeind gebleven. Maar verder is mijn  geboortedorp slechts puin, puzzelstukje die ik moeilijk in elkaar kan krijgen, als ik het Moen van  nu op de landkaart wil tekenen.

Mocht ik, pas na jaren afwezigheid naar Moen zijn teruggekeerd, dan had ik gedacht in een  ander dorp te zijn terechtgekomen. Wat mij in die lang vervlogen jaren ooit geboeid heeft, is  weggemaaid. Bomen werden ontworteld, muren gesloopt, aarde verlegd, De mieren die we  volgden van hun nest naar hun prooi, en omgekeerd, werden met die aarde meegevoerd,  vrachtwagen na vrachtwagen. Dagen en maanden na elkaar werd de kaart van Moen  overrompeld door een grote kolonie rode mieren die het hele landschap tot op de vlakte  kaalvraten, en zelfs onder de grond vroegere doorgangen afknaagden.

Als ik in Moen terugkom, voel ik me steeds wat onwennig, niet op mijn gemak. Ik ben er als een  vader die na de oorlog terugkomt en zijn huis terugvindt, nadat het helemaal verwoest werd door  een bominslag. Waar was de slaapkamer? Waar de woonkamer? En de keuken? Zit de voordeur  nu waar toen de achterdeur was! Je vindt er je draai niet in, tussen het puin van de herinneringen.  Na de herstellingswerken is de ziel van vroeger verloren gegaan. Wellicht voel je je weer thuis als  je er een poosje weer woont,

Niks is hetzelfde gebleven. Die straat ligt er niet meer, of ze werd verlegd, en die huizen zijn ais bij  toverslag, verdwenen. Opgelost, nergens meer, alsof de tijd de stenen heeft verpulverd. Er blijven  slechts de foto’s die je geruststellen; wat jij je nog herinnerde, heeft dan toch werkelijk bestaan.  Alsof een reuze-voet een diepe lijn door de bodem trok, zo heeft het kanaal Kortrijk-Bossuit zich uitgetekend in het landschap. Met kracht schraapte die reuze-voet de aarde weg, alsof je een  watergeul kliefde, en een deel van de verzette aarde, hoopte zich aan de kanten op.  Ondertussen groeide gras en struikgewas, en na een aantal jaren, lijkt het alsof Moen er vroeger  nooit anders heeft uitgezien. Kinderen volgen de wegen van de mieren, naar nieuwe  bestemmingen, vogels herkennen de glooiing van het kanaal.

Als een duif volg ik de roep van de bezorgde duivenmelker, en kom ik thuis, bij de mensen die op  mij wachten, want in dat dorp staat een huis, dat na al die jaren nog steeds de adem van de  bewoners ademt, dat opnieuw behangen, toch weer dat ene huis is waar de muren meer  zeggen dan het patroon dat steeds weer wijzigt, als de seizoenen. Als ik een duif zou zijn, die  blindelings haar eindbestemming zou moeten zoeken, dan weet ik zeker dat ik steeds weer  terechtkom waar mijn ouders mij voor het eerst vanop hun geopende hand, de wereld  instuurden, Blij dat ik niet gebleven ben, blij dat ik steeds weer terug kan komen, naar een veilig  nest.

 Uit “1000 jaar Moen”, Culturele en Heemkundige kring Mulnis, 1989

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s