Mijn poëtica

De taal is van mij

ik spreek, ik luister, ik ben de stem

overal sleept het woord over me heen

laat me slapen, drinken, eten en voelen

hoe de aap tot spreken kwam

door de eeuwen door de straten door de pleinen

het wonder van de stem ontwortelt

en nergens is het over, nooit stopt het spreken

nergens slaapt het in de donkere stegen

geen zinvol water trekt de zin in klanken

nooit is de modder zonder mijn hoop op morgen

op het enkelvoudig denken over mezelf

tot de wegen gespreid klinken als verdriet

want

het woord is om te mijden

er is geen onderkomen

is geen klankbord van mijn zwijgen

er is het immer weten dat het in geen geval tot

mijn happy einde komt

Alleen

Nergens heen.

Opvallend hoe de stilte aan me knaagt

als niemand me aanspreekt.

Ik ben een afvallige van een stammentwist

knijp me in de wangen om te voelen of ik leef.

Leef niet als ik enkel mijn holle lijf bewoon.

Want zij is weg van mij voor een heel klein moment.

Voelt als een jarenlang verdwijnen in niets in mij in iets van niets.

Praat ik met mezelf ik zwijg terstond.

Zwijg ik dagenlang ik stotter door de nacht.

Zegt zij ‘ik wil een kus’ ik klem haar vast tot de ochtend komt.

Want wij zijn een in eten en slapen en drinken en weggaan.

Zo eenzaam weten we de dagen te eren van toekomstig verdriet.