Mijn vader

Vader wandelde niet, hij schreed
Door het landschap – legde zijn spade niet weg
Als de voren spoorden naar de bonen en de landweg

Hij kuiste zijn geroeste kortewagen weg  in het kot
Maar oefende zijn ogen door wijdbeens de horizon
Te aanschouwen en hoestte zijn longen uit in groene sint-michels

En de kleinkinderen veroverden zijn serre op rovers
Tot hij met woeste knuisten wilde vechten uit lijfsbehoud
Om de gillende wortels te redden uit hun kinderhanden

Over de glooiiende velden met rapen en rode kolen
Zag hij zijn kinderjaren verdwijnen in dikke zakken 
Verse pret* en blinkende eerste petatten uitpuilend in barstende aarde

*porei

Vleermuizen


De vleermuizen zijn onze vrienden die ons jaarlijks verblijden
Met golvende loopings en glijdende geluidloze strelingen in de lucht.
Tot nu. Ze zijn de vreselijke vijanden die mensen doden bij nacht
En dag zonder te weten dat ze stille koude killers worden.

Mijn poëtica

De taal is van mij

ik spreek, ik luister, ik ben de stem

overal sleept het woord over me heen

laat me slapen, drinken, eten en voelen

hoe de aap tot spreken kwam

door de eeuwen door de straten door de pleinen

het wonder van de stem ontwortelt

en nergens is het over, nooit stopt het spreken

nergens slaapt het in de donkere stegen

geen zinvol water trekt de zin in klanken

nooit is de modder zonder mijn hoop op morgen

op het enkelvoudig denken over mezelf

tot de wegen gespreid klinken als verdriet

want

het woord is om te mijden

er is geen onderkomen

is geen klankbord van mijn zwijgen

er is het immer weten dat het in geen geval tot

mijn happy einde komt

Alleen

Nergens heen.

Opvallend hoe de stilte aan me knaagt

als niemand me aanspreekt.

Ik ben een afvallige van een stammentwist

knijp me in de wangen om te voelen of ik leef.

Leef niet als ik enkel mijn holle lijf bewoon.

Want zij is weg van mij voor een heel klein moment.

Voelt als een jarenlang verdwijnen in niets in mij in iets van niets.

Praat ik met mezelf ik zwijg terstond.

Zwijg ik dagenlang ik stotter door de nacht.

Zegt zij ‘ik wil een kus’ ik klem haar vast tot de ochtend komt.

Want wij zijn een in eten en slapen en drinken en weggaan.

Zo eenzaam weten we de dagen te eren van toekomstig verdriet.