Alleen

Nergens heen.

Opvallend hoe de stilte aan me knaagt

als niemand me aanspreekt.

Ik ben een afvallige van een stammentwist

knijp me in de wangen om te voelen of ik leef.

Leef niet als ik enkel mijn holle lijf bewoon.

Want zij is weg van mij voor een heel klein moment.

Voelt als een jarenlang verdwijnen in niets in mij in iets van niets.

Praat ik met mezelf ik zwijg terstond.

Zwijg ik dagenlang ik stotter door de nacht.

Zegt zij ‘ik wil een kus’ ik klem haar vast tot de ochtend komt.

Want wij zijn een in eten en slapen en drinken en weggaan.

Zo eenzaam weten we de dagen te eren van toekomstig verdriet.

Slaapliedje voor mijn broer Wolf

Word wakker, grote broer,
Je hebt genoeg geslapen
Tijd om je laatste voetbalmatch te spelen.
Waarom blijven je ogen dicht
Terwijl je nog zoveel wil zien
Van deze grote wereld?

Jouw hoofd is nu zoveel zwaarder
Van al die stoute dingen
Die zo vanzelf als spoken komen
In de nacht van zwarte gedachten,
Die jij in één salto weg kon lachen.

Maar word toch eindelijk wakker:
Er is nog zoveel moois te beleven,
Het ligt zo voor het rapen:
Als de puzzels die je voor mij maakte.
Als de grote broer van wie ik zoveel leerde.

Maar blijf nu maar slapen
Want de wereld gaat toch om zeep.
Vanuit jouw droom kun jij de mensen redden,
En dan zijn we weer heel dicht bij jou,
In een beter leven, zo gemaakt door jou.

Dirk Rommens

Voor Wolf (°2008-+2015)
11 december 2015

De tuin

Door het venster zie ik ons lopen
in de tuin, mijn broer en ik.
de wereld van onze kinderjaren;
in het spiegelbeeld kijkt moeder
me tegemoet. Ze wenkt.
Haar stem ademt onhoorbaar
op het vensterglas. In haar ver gezicht
herken ik een glimlach.
In haar ziekbed
zie ik haar zoekende ogen.
Mijn kind van bijna vijftig.
Ze tast en voelt mijn handen.
Je bent zo groot geworden.
Waar is je broer?
Hij zorgt toch goed voor jou?
Ze ziet ons spelen in de tuin.
Ik zie ons samen vlinders vangen.
Haar gezicht trekt wit:
Waarom liet je je grote broer
achter in de tuin?

Op twee benen

Na de vorige periode die ik bewust onbeschreven liet, wegens wellicht zeurderig gelamenteer, sta ik weer op twee benen. Ik loop nog wel met een zwikje, maar mijn kinesiste ziet mijn toekomst positief tegemoet. Als ik mijn strek-, rek- en evenwichtsoefeningen blijf combineren met het getrap op mijn hometrainer, die ik wegens het prachtige weer buiten parkeerde, kom ik er als een nieuw geboren man wel uit. Ik hoop dan ook dat ik in de kortste keren de ladder kan opvliegen om mijn werkzaamheden eindelijk verder te zetten. Maar ik vermoed dat mijn vrouw mij streng zal terechtwijzen en me zal verbannen naar lichtere karweien, zoals de vaat ledigen en de aardappels schillen. 

Toch heb ik mijn les geleerd: een ongeluk zit in een klein hoekje, precies daar waar ik onzacht tegen de garagevloer terechtkwam. Die hoek zal ik vermijden, eventueel blauw-blauw laten, alhoewel ik witte verf zal gebruiken. Daar kijk ik natuurlijk al maanden naar uit, want een mens wil wel eens veranderen van spijs en drank. Ook de vloer wil ik een beurt geven, want de vorige verf was blijkbaar niet opgewassen tegen de banden van onze auto, nochtans geen 4×4. Mits de nodige voorbehandeling met azijn en schuurpapier moet het me lukken. Ik zal me in ieder geval veiliger voelen, ook al zal dit werk veel vergen van mijn rug en benen… 

Een 65’er moet in beweging blijven, zo leren ons talrijke onderzoeken, en wegens de voorbije rolstoelperiode bleef deze activiteit beperkt. Daar moet ik dus een inhaalbeweging voor doen, te meer dat ook het soortelijk gewicht van het zitvlees is toegenomen. We gaan dus voor een gezondheidskuur, nu het nog kan, in de hoop dat we met al die besparingen niet van de honger zullen vermageren… Bovendien zal de komende koude winter ons geen windeieren leggen, als de verwarming het laat afweten: we zullen weer de gezellige sfeer beleven van kaarslicht en haardvuur. En daar hoort uiteraard een goed glas wijn of Duvel bij.

Op één been

Aftellen. Pas zeven dagen voorbij. Nog vijf weken te gaan. Op één been.
De voorbije jaren doe-het-zelver zonder grote ongelukken. Aan de pensioengerechtigde leeftijd – 65 jaar – meteen maar een professionele voetballerskwetsuur opgelopen om U tegen te zeggen. De achillespees gescheurd.
De ladder onder mij heen geschoven, voet tussen de sport en de vloer gezwikt, de hiel eerst gevoelloos alsof hij afgerukt werd, daarna helse pijn. Verdomme, dat moest mij overkomen, terwijl ik zo goed bezig was: de bovenste steenlagen van de garage moesten nog gevoegd worden vooraleer ik de schilderwerken kon aanvangen. Al drie muren gevoegd, maar in die hoek was het een heikel geklooi, want de elektriciteitskast belette me om de ladder tegen de muur te zetten. In twee seconden was het gebeurd. Een geluk bij een ongeluk, want mijn andere voet kon hetzelfde lot zijn ondergegaan. Dan zat ik in een rolstoel. Nu loop ik op krukken, en verplaats ik me op mijn bureaustoel, kwestie van de okselspieren te sparen.
Maar die rechterkant is al gekneusd, sinds ik een trapje af, struikelde. En nog verder uitgerokken, toen ik gehurkt de trap op klauterde en achteraan bleef haperen aan mijn riem.
wordt vervolgd

20140611-142206-51726787.jpg

Maanlicht

Wat ik zag was maanlicht,
stralend op mijn handen,
nooit gezien, als vannacht
verbleekt in bleke stranden.
Moeder hield me tergend
langzaam in haar tederheid,
want ze liep leeg in
haar verdovend afscheid.

Als broers die geheimen verbergen
voor de blinde indringers;
zo sluip ik weg van zijn bed
waar de pijn kronkelt in zijn lijf.
Niemand zal ons weten kennen
van kattenkwaad en geniepig grappen
om de buitenwereld,
tot het einde komt.

En vader stierf voordien
hoestend in de leegte van woorden,
Zijn sigaret nog dampend
in onze ongezouten antwoorden.
Wat hebben de doden
ons vanavond nogmaals verteld,
Tenzij over de liefde
die ons altijd blijvend vergezelt.

Gedichtenjaar

De diabeticus

1

De prik op zijn rechter kant.
Bolletje bloed op de strook.
De meetlat vertekend tot statistiek.
De zoete prik slaakt weer een zucht
van getekende angst voor morgen.

Elke morgen als een merelkreet.
Elk opstaan drijft hem tot bloedens toe
Naar de dag van weer een krater spuitend goud.

En wat is hij in een druppel bloed:
een leeggelepeld bord groentesoep?

2

Dit morgenmaal moet gemeten worden.
De pillen vormen rijen naast dit glas
van morgentroost en geheim zilverpapier.

Hoe zoet is het bloed in de aders?
Hoe lang dringt het zwarte teer naar zijn hart?

Kaas en brood vermalen tot gruis dat verder vreet
tot bruin slijm in de darmen.

Zijn hersens malen lichte poeders tot geruis.

3

Gewicht. Beweging. Gezond eten.
Hij slaapt op zijn geweten, schuldig besef
van steeds maar hervallen beloften,
laag gevallen mens met streefcijfer 7.

Analyse met puntenlijsten en slaagcijfers:
gearceerde dans van mislukkingen op drie bladzijden.
Meneer doktoor bemoedigt de patiënt, die knikt.
Een half jaar metend weten tot de volgende.

4

Zo afgemeten is zijn leven; zijn woorden, zijn zinnen
doorsijpeld van prikken in zijn lijf.
Buik, billen, vingers als speldenkussens gebruikt.

Hoe het wonder van het lichaam heelt die wonden;
hoe zachtzinnig herstelt de huid zichzelf.
Spuiten om te leven, als verslaafd aan een wondermiddel.
Maar geen genot, enkel overleven. Dag na dag.

5

De nacht dooft de gedachten, houdt het lichaam in toom.
Tot de versnelde hartslag weergalmt in zijn kussen.
Opstaan. De tijd is niet gehaast. Aders onder druk.
Hart in staat van alarm. Het laagtij tekent onheilspellend.

Zoetigheid als kabbelend water, suiker overspoelt de aders.
Zijn horloge verklikt de onverbiddelijke tijd, traag getik.
Zijn lichaam wordt onder stroom gezet; zoet in nood.

Het geraas in zijn aders klopt nu langzamer in zijn hersenen.
De hartslag vertraagt gestaag; hij prikt en meet. Noteert.
De boekhouding van zijn leven in cijfers en codes.

Slaapverwekkend, deze nachtelijke wandeling. Terug
naar het warme bed, de schaduw van een verdwenen man
wordt weer ingepast. ’s Morgens enkel een teken aan de wand.