Fred Germonprez

VANDAAG WORDT FRED GERMONPREZ 69 JAAR

„In een roman wordt het leven herschreven”

30 december 1914: na 69 jaar kan Fred Germonprez met genoegen evenveel kaarsjes uitblazen! Ook 30 jaar Kortrijkenaar — en daar is hij fier op! 30 jaar terug kreeg hij eveneens de plezierige, maar verdraaid moeilijke opdracht „De Koerier van West-Vlaanderen” uit de grond te stampen (zie onze krant van 19 december jl.).

Dit jaar verscheen ook van zijn hand ‘Jozef De Coene en de Kortrijkse Kunstwerkstede”. Maar dat is lang niet alles, want met rechtmatige trots kondigt hij de publicatie aan van het derde deel van zijn „Kortrijkse Figuren” (begin 1984). Zal deze rusteloze (ex?)-journalist en romancier vanaf heden op zijn lauweren rusten? Hoegenaamd niet, want hij wil „eindelijk” weer eens een roman beginnen, na al dat speur- en opzoekingswerk. Hij droomt ervan om een verhaal te schrijven gesitueerd in de Tweede Wereldoorlog. Wat het wordt, daar hebt u het raden naar. Wij verklappen het heus niet.

Liever dan de loftrompet te steken (wat we uit journalistieke eerlijkheid in deze krant weigeren te doen, en omdat Fred Germonprez het ons ook kwalijk zou nemen) een gesprek met deze romancier én journalist.

Het Dymo-plakkertje op de linkerkant van de deur meldt in koele reliëfletters dat Fred Germonprez daar woont — is dit nu de Conventstraat of de Onze-Lieve-Vrouwstraat? Een druk op de parlofoon – zoem, klik, de deur aarzelt op een kier.

Onze gastheer verwelkomt me bovenaan de trap. Hij verwacht me, raadt (weet?) mijn naam. ,,’t ls hier klein” en hij verwijst me, haast verontschuldigend, naar een knus ingerichte studeer- en werkkamer, „En gezellig” voeg ik er haastig maar gemeend aan toe. Fauteuils — een bijzettafeltje — een borrel én de warmte van een innemende persoonlijkheid. Je hoeft ook geen detective te zijn om tot de conclusie te komen dat hier een schrijver wérkt en leeft.

Zou die ellenlange rij cassetten wijzen op de muzikale interesse van onze gastheer? Nee, laten we het bij de literatuur en de journalistiek houden…

Uw werk wordt (gemakshalve?) geklasseerd onder de noemer „heimatliteratuur”… Wat denkt u daarvan?

Ik moet eerst en vooral onderstrepen dat dat begrip vérstrekkend is: waar begint en eindigt heimatliteratuur? In ieder geval, bij velen zit er iets pejoratiefs achter: men beziet het als een afzwakking van de „echte” literatuur. In feite heb ik een aantal genres geschreven: de streekgebonden („Iseland, Iseland”), sociale („Hanen en kraaienpoten”), historische („kaper Jan Bert”, „Dossier Bakelandt”) en psychologische romans („De Magistraat”). Maar het grote probleem in de Nederlandse letterkunde is dat je een etiket krijgt.

Ik ben begonnen met „Iseland, Iseland” en men heeft me daarop vastgepind. Al had ik tien „Magistraten” geschreven, dan zou ik toch „maar” de heimatschrijver gebleven zijn. Met die roman heb ik echter bewezen dat ik ook andere dingen kan.

Zijn uw werken volksromans?

Ik „zie” mijn publiek. Ik schrijf om gelezen te worden, want schrijven is immers communiceren met de lezers. Het is zich ontladen- van wat je beroert en ontroert. Iedere auteur wenst gelezen te worden, ook de meest hermetische dichter wil een menselijk klankbord zijn, anders zou hij niet publiceren.

Hoe moet volgens u de roman zijn?

André Demedts zegt het zo: „Men moet iets te zeggen hebben, en men moet het kunnen zeggen”.

In een roman wordt het leven herschreven. Ik heb het voorrecht gehad om Godfried Bomans te interviewen; op mijn vraag waar een romancier moet aan beantwoorden, zei hij: „Een romancier moet door het leven gemalen zijn”.

Dat betekent dat je psychisch en fysisch getekend moet zijn. Ik ben blij dat ik zoveel slagen heb moeten incasseren, want ze hebben me verrijkt. Leed graaft naar diepte.

Ook vandaag is er heel wat leed: werkloosheid, vertwijfeling, angst.

Heeft een schrijver ook sociale verantwoordelijkheid?

Een schrijver mag zich niet isoleren van de gemeenschap; hij moet tussen de mensen leven, trouw aan zijn grond, aan de mensen rondom zich. Hij moet een getuige zijn van het schone en het niet-schone van het leven.

Daarbij is het verhaal heel belangrijk: schrijvers als Streuvels, Buysse, Elsschot beleven nog zoveel herdrukken omdat zij via het verhaal het leven hebben herschreven: al het schone en het lelijke, de vreugde en het verdriet.

Is er evolutie in uw werk?

Ieder auteur legt iets van zichzelf in zijn werk, zelfs iets van zijn grootste intimiteit. Ik ben mezelf gebleven, maar met „De Magistraat” heb ik bewezen dat ik het stilistisch ook kon.

De constructie van een roman is heel belangrijk. Het is echt niet zo eenvoudig om een verhaal te vertellen dat boeit van het begin tot het einde.

Hoe schrijft u? Hebt u een schema, een plan?

In „Dossier Bakelandt” ben ik inderdaad uitgegaan van een schema omdat het een historische roman is, en de. essentie moet dus ook kloppen met de werkelijkheid. Maar in de meeste gevallen heb ik een verhaal in mijn hoofd: ik weet wél waar en hoe het zal eindigen; het is zoiets als op de trein zitten: je weet waar je naartoe gaat, maar je hebt niet het flauwste idee wat er ondertussen zal gebeuren, welke medereizigers je zult ontmoeten…

In twee maanden moet die roman dan af zijn. Ik laat hem dan een jaar liggen zodat het allemaal wat bezinkt, en ik afstand kan nemen van mijn werk. Als je het bekijkt, ben ik geen veelschrijver: gemiddeld om de twee a drie jaar komt er een roman van de pers. Nu is het nog langer geleden, want het boek over Jozef De Coene heeft me meer dan een jaar druk benomen met opzoekings- en studiewerk. Het is voor een buitenstaander moeilijk al het werk en de tijd in te schatten…

Het verleden: hoe is het allemaal begonnen, zoveel jaren terug?

Eigenlijk in het laatste jaar van mijn humaniora. Het is tijdens mijn verplicht verblijf in de streek van Averbode, toen ik TBC had, dat ik begon met schrijven. Ik was toen 19, dus jong, en ik kon me niet met de gedachte verzoenen dat ik niets om handen had. Mijn eerste proza verscheen als „Vlaams Filmpke”, ik schreef in „Voetlicht”, „Nieuw Vlaanderen”, „De Vlaamse Gids” en „Het Volk”. Ik was natuurlijk heel gelukkig met die eerste publicaties; iets gedrukt zien met je naam eronder: dat betekent nogal iets! Dat debuut droeg natuurlijk alle sporen van een beginneling…

De toekomst: hoe ziet u die?

Ik’ ben geen pessimist, maar ook geen struisvogel. Ik geloof niet dat de atoombom ooit zal vallen, want dit is zelfmoord plegen. Ik wil er gewoon niet aan denken dat die mogelijkheid zou bestaan, want die gedachte alleen zou mijn laatste levensdagen versomberen. Maar een betoging zoals die in Brussel juich ik toe: het bewijst dat de bevolking er gevoelig voor is. Ik betwijfel het effect op politiek gebied: via allerhande NAVO-besluiten zijn de politici gebonden aan gemaakte afspraken. En het probleem van de werkloosheid: het is iets zoals ebbe en vloed; het zal béter worden, ook al speelt de technologische revolutie niet in het voordeel.

— (R.K.) Dirk Rommens, Kuurne in Het Volk, 30 december 1983