Gesprek met Frans Deschoemaeker

over „De Onderhuidse Lach van de Landjonker”

Frans Deschoemaeker schrijft en publiceert poëzie met mondjesmaat. Weer is gebleken dat zijn spaarzame opgehouden adem tot levenskrachtige en kernachtige gedichten heeft geleid. Immers, zoals al vroeger vermeld, werd deze jonge dichter terecht bekroond met zijn manuscript „De onderhuidse lach van de Landjonker”. Hij kreeg de driejaarlijkse West-Vlaamse poëzieprijs voor ongepubliceerd werk. Ondertussen hadden we het genoegen en het voorrecht om niet alleen met Frans Deschoemaeker over zijn poëzie te praten, maar ook om zijn manuscript grondig te lezen, te smaken… en te waarderen!

Frans Deschoemaeker, geboren te Kortrijk op 8 september 1954 beleefde zijn kinder- en  jeugdjaren in Bavikhove; hij is momenteel ambtenaar bij het Ministerie van Onderwijs (weddedienst), is redacteur geweest van de, inmiddels ter ziele gegane tijdschriften „Filter’ en „Nieuwe Stemmen” en was medewerker van het eveneens verdwenen „De Periscoop”; vandaag echter alweer in de bres als redacteur van het op 15 januari te verschijnen eerste nummer van „Diogenes” met o.a. Marcel j Coole, Hubert Lampo, Ivo Michiels, Erik van Ruysbeek en hij is ook poëzierecensent van „Ons Erfdeel”.     

In 1979 verscheen zijn eerste bundel „Stroomafwaarts” en in 1981 „In de spiegelzalen van de herfst”. Hij woont al geruime tijd in Kortrijk (nu in de Koning Albertstraat), en daar gingen we hem ook opzoeken.

KOESTEREN VAN HET SCHONE WOORD

Frans Deschoemaeker en zijn echtgenote hebben 1983 in de allergrootste vreugde mogen’ afsluiten: de geboorte van hun eerste kindje én de bekroning van zijn nog te publiceren dichtbundel.

Zonder al over een jarenlange biografie en een uitgesponnen bibliografie te kunnen gewagen, maar met een aantal prijzen als visitekaartjes, én met een duidelijke heroriëntering in deze laatste bundel, is het in ieder geval klaar dat Deschoemaeker zich een weg zoekt én baant in ons literaire wereldje. Over zijn twee voorgaande bundels zei hij zelf: „De wereld lijkt, doodmoe van het eeuwig draaien om dezelfde as. Vervlakking, verloedering en decadentie grijpen om zich heen. De meest gedesillusioneerde generatie sinds 40 jaren treedt aan. We hebben het allemaal gehad. We hebben met woorden het Systeem bevochten, onbaatzichtige idealen tentoongespreid, we hebben naderhand de horizon wat dichterbij getrokken en van de realiteit één poëtisch festijn trachten te maken.

In het huidige tijdsklimaat van oververzadiging in moeheid wordt poëzie schrijven meer en meer een moeizame, maar elegant gedragen, vorm van overleven. Een gesofisticeerd, barok, beredeneerd koesteren van het schone woord. Stroomafwaarts, ver van het Grote Gebeuren, gaat de dichter schuilen. In de rozen van de herfst”.

In „In de spiegelzalen van de herfst” ervaart de lezer inderdaad Deschoemaeker in de eerste plaats als woordkunstenaar; de barokke taal gekristalliseerd rond het decadente jaargetijde bij uitstek, maar waarin toch nog de phoenix van het leven telkens weer opduikt. Als het ware doordesemd van de geur van uitgerafelde bladeren, verstorven in de wakke aarde, zien we de dichter als in het „spiegelkot”: inkrimpend en uittrekkend tot hallucinante hoogstandjes via de taal: „Weer zwaait de herfst zijn spiegelzalen open. Tussen glazen wanden wandelend, overweegt hij de ruil van zijn verziekte lijf. Met beelden, prenten, muziek, sonnetten en het vuur van herfstkleuren. Treedt hij in tot Vlaamse wandtapijten, vijvers en fresco’s. Ontmantelt zich. Verlaat de slagvelden. En tooit zich… Straks winter weet hij. Witheid. Kraaien op kristallen kantwerk.” (p.13).

Die winter nu, is er overheen gegaan en ik zou met een strofe uit „Winter” van Pablo Neruda zijn incubatieperiode kunnen omschrijven: „Dit is het uur van de gevallen bladeren, vermorzeld op de aarde, als ze weer uit zijn en niet-zijn naar diepte dalen, zich ontdoen van groen en goud tot ze weer wortel zijn, opnieuw vergaan en kiemend oprijzen om de lente te begroten.” („De egoïst” p. 7.)

VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN

Ontsnappen uit die zalen, de spiegels als ornamenten achter zich latend, zonder ze evenwel tot gruis te slaan, betekende de grote uitdaging voor Deschoemaeker. Hij heeft dan ook in zijn laatste bundel de schittering van de ornamenten ingeruild voor een andere levenshouding, zodat het traumatiserend navelstaren niet meer uitvlakt tot doodserieuze introspectie. „Hij moet goed gek zijn. En wat barok. Zoals hij Poëzie met hoofdletter schrijft. Ornamenten koestert in zeer helder maanlicht. Aldoor verzachtende omstandigheden pleit in het gedicht.’

Jazeker, dat doet hij: „Gelet op de vrienden. Niet langer om de pink te winden met buikdans en zoete woordenbrij… Gelet op de mot in de poëzie, heden ten dage. De Trage Slijtage der Nieuwe Romantiek..

De grote vernieuwing, zegt Deschoemaeker, ligt precies in de relativerende humor, de ironie, ja zelfs het sarcasme in „De onderhuidse lach van de Landjonker”. Er was geen uitweg uit het steriele in-zich-zelf-staren, tenzij het zich moreel pantseren via de humor tegen de verloedering van de maatschappij. Zelfspot zoals in deze regels:

„Vanavond zadelt hij zich op met Grote Gedachten en Gevoelens; weemoed om den aardkloot en zo”. .

INTELLIGENTE OPBOUW

Deze bundel getuigt dan ook zeker van een doordachte en intelligent opzet en opbouw: het is een poëtisch portret, gegroeid rond een imaginaire figuur, toevallig (?) geboren zo’n vierhonderd jaar geleden, zegge en schrijve in 1554, precies vierhonderd jaar vóór Deschoemaekers eigen geboortejaar: „Bij fragmenten uit het werken van jonker, herenboer en bohemien. Neerhofpoëet en klompendansestheet. Geliefd in kroeg en staminee (aldus de volksmond). Briljant schilder en Uitbeelder van het Landleven in de streek van de Vlietebeek.”

Precies in de geliefde en idyllische omgeving van de Vlietebeek in Bavikhove, geboortedorp van de dichter, schildert en dicht Broodbuydel. Als een tijdsdocument, een getuigenis uit het verleden, met de visionaire toekomstbeelden als reflectie én aanknopingspunt met de hedendaagse maatschappij, situeren zich de gedichten uit de eerste reeks: „Maar ’t horig volk, 1 et paarde voort… Aldus geschiedde dat onder den toren de Satijnen Broodbuydel werd geboren.

„Nog even. Een zon van rood koper brandt gaten in het doek. Hier viel de hand van de meester stil. In stomme verbazing.”

Uit deze regels blijkt het grote ironiserend vermogen van Deschoemaeker: de betrekkelijkheid van de dingen waarmee we bezig zijn, zélfs het Scheppen van het zogezegde Meesterwerk: „geschiedenis herhaalt zich. Ook de dichters van deze tijd; zij proeven de taal als bitterzoet, als dolmakend kruid op de tong.

Het tweede deel dan als hallucinante flashback en als referentiepunt naar dat „schone verleden”, waardoor de dichter zichzelf en de anderen relativeert: „Zolang nog lacht hij onderhuids. Beluistert hij de drijfkracht in zijn bloed. Zo kantelt hij nog dieper in zichzelf terug en fluistert Boris, de barzoi aan zijn voet, zeer verheugende confidenties toe.”

GESPIERDE ROMANTIEK

Niet toevallig werd dit gedicht aan Hendrik Carette opgedragen, want hij was het die pleitte voor de „gespierde romantiek” als tegenganger van de gezapige, zielloze en zieltogende romantiek. De dichter dus als schilder des levens, maar afstandelijk toekijkend, mompelend („De onderhuidse lach!”) en toch onrechtstreeks deelnemend aan het Grote Gebeuren door zijn gespierde taal- en denkwerk. Hij, de dichter die de geschiedenis niet ombuigt, die geen pamfletten schrijft, maar getuige is van wat er rondom zich gebeurt, de „portrettentrekker” van weleer: „Hij kijkt er naar, naar de foto in het oude album op de tuintafel: zondag aan de Vlietebeek.” Met het sarcasme als tegenpool: „Ontegensprekelijk, onhoudbaar is de lente, met haar geur van dode zolders en verlepte vliesvleugels, in hem gevaren.” De dichter die geschiedenis schrijft op de stronk van de vlier ergens aan de Vlietebeek: „B. was hier!”

Deschoemaeker schrijft pakweg twintig gedichten per jaar; hij is dus zeker niet het type dichter dat de papiermand volstouwt met probeersels en na onbeschrijfelijk zuchten Het Grote Gedicht pleegt. Hij concipieert in gedachten en gedurende lange tijd een gedicht, en wat er op papier komt is haast direct af. Hij heeft veel tijd nodig om bij voorbeeld een recensie te schrijven, maar hij wil dan ook dat het resultaat kwalitatief hoogstaand is. Voor vlugge journalistiek is hij niet geboren. Trouwens ook zijn bundel is eigenlijk nog niet af: „Er zijn nog enkele losse touwtjes die ik nog aan elkaar moet binden, zodat de bundel structureel écht tot zijn recht komt.”

„Het klinkt misschien pretentieus,” zegt Deschoemaeker, „maar ik zou erg ontgoocheld geweest zijn, want deze bundel verdient inderdaad ook een vlugge en verzorgde publicatie én een goeie distributie.

 — (RK) Dirk Rommens, Kuurne, in Het Volk, 14/15 januari 1984