de plattegrond maalt niet om de mens die in het niets
zelfs niet verdwijnt, afwezig blijft in zijn evenbeeld,
tot de aarde in de einder oplost, luchtledig wegspoelt
in wat men gemakshalve water noemt, uit bescheidenheid.
ijl, zonder evenwicht tussen zwijgen en zuchten, moedeloos
als de halsbrekende vlakte zich steeds moeiteloos herhaalt –
hij kan over het water wandelen, maar zinkt diep in de aarde,
tot de dijken breken, hij eindelijk vlucht voor rampspoed.
de huisjes, tegen de straatjes gehurkt, lurken aan schoorstenen:
de regen is in stenen gebakken, onderhuids stuwt
de zee tegen de tegels. Lekken stulpend tegen schimmel,
het leven is ongewild afwezig, aftands, mediterend met de ogen dicht.
platgewalst de emoties – egaal scandeert het schaap geblèr tegen
de dijken aan; wollen prikkeldraad scheidt de vlakke wereld niet.
geen eigendomsrecht: drinkbakken waarin eens anoniem gebaden werd:
het ultieme voetbad voor de wandelaar in dit onbewoonbare niemandsland.
niemand zal ooit weten dat ik ademde in dit bedrukte zuchten van de wind;
dat ik tijdelijk de eeuwigheid beroerde, in velerlei gedaanten –
sprekend, luisterend, bewegend in het luchtledige belandde
tot het landschap mij beheerste, als in een schilderij van Turner.