De zanger

Hij was een klein, pezig mannetje met een akoestische gitaar. Het publiek kende hem al. Ik ook, want ik had een hele verzameling cd’s en liedjes op mijn iTunes. We waren ongelooflijk enthousiast toen hij op zijn gitaar de eerste noten aanzette, om daar meteen het hele lied over te zingen in zijn typisch nasale stem.  

Hij was gekomen, de zanger! En er was een grote opkomst, dat spreekt… Ik stond helemaal vooraan, op enkele meters van de zanger; maar na een tijdje kwamen twee rijen mensen mij het zicht belemmeren. 

Na zijn optreden mocht ik hem persoonlijk spreken. Hij en ik. Hij zei dat hij nu wel dorst had. Aan de toog was het eventje drummen om dichter te komen. De barman zag ons eerst niet staan, maar toen ik mijn hand omhoog stak, nam hij de bestelling op: twee biertjes! We klonken met onze flesjes. 

Ik vroeg hoe hij het eerste deel van zijn optreden had ervaren. “Bah, not so good. Forgot some lyrics. Shit. Must be old age…” Ik probeerde hem tegen te spreken, maar hij had kennelijk geen zin meer in een gesprek en repte zich naar het geïmproviseerde podium. Ik was hem kwijt. 

 Ik had met Bob Dylan gesproken. Ik had er geen enkel bewijs van, ik had er niet aan gedacht om een selfie te maken. Enkel in mijn herinnering zou ik hem blijven koesteren; net zoals ik Leonard Cohen had leren kennen in een vroegere droom.

Ik werd wakker, nog nagenietend van deze merkwaardige gebeurtenis.

Tot mijn grote verwondering – achteraf dan wel – droomde ik verder over Bob Dylan. Er was een optreden gepland van deze nobelprijswinnaar. Edoch, er kwam slechts een twintigtal mensen opdagen op een verder leeg plein. Wachten op de komst van Dylan. Wachten en wachten. Maar hij kwam niet opdagen.  

Ik werd weer wakker. Wat een ontgoocheling… Maar ik troostte me met de gedachte dat ik hem de vorige keer wél gezien en gesproken had; daar moet ik het dus voor de rest van mijn leven mee doen. En met de muziek van mijn iTunescollectie.

Ik zal nooit meer op dezelfde manier luisteren. Ik heb hem persoonlijk gesproken. Zoiets vergeet je niet. Wellicht zal ik het als een echte gebeurtenis beschouwen als mijn geheugen steken laat vallen. Dan vul ik mijn verleden zelf wel aan met dromen en illusies…

Hommage Sabine Rommens

Sabine trekt ingebeelde lijnen
op een netvlies van papier;

de ogen in zichzelf gekeerd
met kleuren van zachte adel

en het penseel krast diepe wonden
in de perfecte droom

van tinten en onbestaande vormen;

slapeloze nachten van verlangen
naar een verre reis naar morgen
waar niemand van terugkomt

alleen geschonden foto’s,
een zwart-wit tekening van onvermogen.

Sabine verleert het wenen uit zelfbeklag
en zoekt zorgend haar eigen weg.

Dirk Rommens 1982 en 2019

Toekomst

Zo komt het nooit nog goed.

De dagen slinken in lange nachten

En de wind verbrandt de dorre blaren.

 

In de wereld dreigen moordenaars

het verleden opnieuw te beleven

In ommuurde kampen van haat

 

Mijn droom om oud te worden

In een wereld van liefde

Verbleekt met de angst voor morgen.

 

We schermen de avonden af in valse hoop

voor de donkere nachten die zullen komen.

De mensen staren niet meer naar de maan.

Oud nieuws is fake nieuws

In de inkom van ons huis hangt al tientallen jaren de befaamde tekst ‘Streven naar geluk’ ofte ‘Desiderata‘. Een dankbaar geschenk van een van de broers van mijn vrouw. Bij welke gelegenheid? Bijna de zeventig bereikt, vallen huwelijks- en andere verjaardagen over elkaar en weet ik het niet meer. Die tekst was zo bijzonder omdat hij tot op vandaag zo heerlijk actueel blijft. Een monnik (?) uit de Sint-Pauluskerk in Baltimore, Maryland, de Verenigde Staten. Geschreven in het jaar 1692, zo staat onderaan te lezen. Respect, man.

Ik heb het altijd een beetje raar gevonden dat in dit gedicht – jawel, daar straks meer over –  de auteur (een monnik, een pater, een abt???) het had over het lawaai. Welk lawaai? Boerenkarren die over kasseien dobberden, het geklingel van emmers uit de waterput, kijvende wijven aan de poort van de kerk, joelende kinderen, vloekende arbeiders? Ik kon er me wel een en ander bij voorstellen.

Dat hele gedicht dat in Nederlandse vertaling een doorlopende tekst was geworden in een vertaling van ???wie??? bleef me intrigeren. Vandaag had ik een doortastende ingeving: hoe zou die originele tekst in het Engels wel luiden, vermoedelijk in oud-Engels, toch? Nu liggen de antwoorden de dag van vandaag voor je neus, als je een beetje thuis bent op het internet. Zou het een bevredigend antwoord worden?

Man man man, wat een ontgoocheling toen ik dit las: “Uit de FAQ van Alt.Usage.English: “Desiderata” is geschreven in 1927, door Max Ehrmann (1872-1945). In 1956 gebruikte de predikant van De St. Pauluskerk in Baltimore, Maryland, het gedicht in een verzameling stencils met inspiratiemateriaal voor zijn gemeente. Iemand die het later drukte zei dat het gevonden was in de oude St. Pauluskerk, gedateerd 1692. Het jaar 1692 is het jaar waarin de kerk gesticht was, en heeft niets te maken met het gedicht. Zie Fred D. Cavinder, “Desiderata”, TWA Ambassador, Aug. 1973, pp. 14-15.”

In één klap zag ik mijn verbeelde monnik, lawaai makende boerenkarren, kijvende wijven… verpulveren en herleven in de gedaanten van mensen uit de heel wat dichtere twintigste eeuw! Dit gedicht bleek dus fake te zijn – nee, ik moet het corrigeren: de auteur was gewoon een schrijver die op het einde van de tweede wereldoorlog overleden was, in mijn gedachten was hij fake, een valse profeet, zou ik durven zeggen. Hij was niet die filosoof uit die stoffige kerk in Baltimore die me toen al decennia lang voorhield in deze 21ste eeuw goed en zinvol te leven…

Maar mijn vondst kreeg nog een verrassend kantje. Ergens anders las ik: ‘Het artikel van 8 januari kwam erop neer, dat de tekst die begint met ‘Wees kalm te midden van het lawaai en de haast’ geschreven is door de Amerikaan Max Ehrmann in 1927 en door zijn weduwe is gepubliceerd in 1948. Dat Ehrmann de auteur was, blijkt door Filiep van den Broeck al te zijn onthuld in Onkruid 76 van 1990 (brief mw C. M. de Nijs).’ (School voor Filosofie)

Het was de naam Filiep van den Broeck die mijn hart deed opspringen van vreugde. Een ex-scout zoals ik er ook een ben geweest, maar hij was in vervlogen dagen vooral bedrijvig bij het tijdschrift Onkruid, waar ook Simon Vinkenoog hoge ogen gooide – die woordspeling kon ik niet laten liggen –  en waar ik nog een eitje mee te pellen had, ware het niet dat hij ondertussen hogere regionen heeft opgezocht. (Over die periode kom ik later nog eens op terug als ik de moed heb om dat hoofdstuk aan te snijden…)

Kortom, Filiep, dat deed me weer denken aan die tijd toen je een van mijn gedichten in de publieksruimte van Bossuit wist op te hangen – waarvoor nog altijd heel veel dank! Hij wist het dus al die jaren dat het gedicht in onze inkom helemaal niet in 1692 werd geschreven, maar zoveel later. Waarom heb je mij daar nooit over verteld? Wellicht omdat je nooit in onze inkom hebt gestaan? Omdat wij je nooit hebben uitgenodigd, ondankbare gast die ik ben, nu ik me realiseer met de voeten op de grond te zijn terechtgekomen. Immers, fake nieuws is blijkbaar van alle tijden, nietwaar?

Bij deze kleef ik een paar plakkertjes over de bron van de tekst. Daarop schrijf ik de naam van de echte auteur Max Ehrmann (1872-1945).

Juist is juist. Feiten zijn feiten. Met mijn welgemeend excuus en toch even grote bewondering voor uw gedicht.

 

 

 

Alleen

Nergens heen.

Opvallend hoe de stilte aan me knaagt

als niemand me aanspreekt.

Ik ben een afvallige van een stammentwist

knijp me in de wangen om te voelen of ik leef.

Leef niet als ik enkel mijn holle lijf bewoon.

Want zij is weg van mij voor een heel klein moment.

Voelt als een jarenlang verdwijnen in niets in mij in iets van niets.

Praat ik met mezelf ik zwijg terstond.

Zwijg ik dagenlang ik stotter door de nacht.

Zegt zij ‘ik wil een kus’ ik klem haar vast tot de ochtend komt.

Want wij zijn een in eten en slapen en drinken en weggaan.

Zo eenzaam weten we de dagen te eren van toekomstig verdriet.