De tuin

Door het venster zie ik ons lopen
in de tuin, mijn broer en ik.
de wereld van onze kinderjaren;
in het spiegelbeeld kijkt moeder
me tegemoet. Ze wenkt.
Haar stem ademt onhoorbaar
op het vensterglas. In haar ver gezicht
herken ik een glimlach.
In haar ziekbed
zie ik haar zoekende ogen.
Mijn kind van bijna vijftig.
Ze tast en voelt mijn handen.
Je bent zo groot geworden.
Waar is je broer?
Hij zorgt toch goed voor jou?
Ze ziet ons spelen in de tuin.
Ik zie ons samen vlinders vangen.
Haar gezicht trekt wit:
Waarom liet je je grote broer
achter in de tuin?

Maanlicht

Wat ik zag was maanlicht,
stralend op mijn handen,
nooit gezien, als vannacht
verbleekt in bleke stranden.
Moeder hield me tergend
langzaam in haar tederheid,
want ze liep leeg in
haar verdovend afscheid.

Als broers die geheimen verbergen
voor de blinde indringers;
zo sluip ik weg van zijn bed
waar de pijn kronkelt in zijn lijf.
Niemand zal ons weten kennen
van kattenkwaad en geniepig grappen
om de buitenwereld,
tot het einde komt.

En vader stierf voordien
hoestend in de leegte van woorden,
Zijn sigaret nog dampend
in onze ongezouten antwoorden.
Wat hebben de doden
ons vanavond nogmaals verteld,
Tenzij over de liefde
die ons altijd blijvend vergezelt.