Spuwen

Voetballers spuwen. Renners spuwen. Op de grond. Op de grasmat.

Zij spuwen omdat ergens in hun lijf een korte stoornis opkomt. Een korte reflex op een actie. Op een inspanning. Sommige mensen vinden dit niet kunnen. Zij moeten een voorbeeld zijn voor onze jongeren. Zij zijn sportievelingen naar wie wij opkijken. Zij moeten op hun imago letten. Perceptie is alles. Spuwende voetballers en renners moeten hun speeksel en fluimen inslikken. Hun eigen overtollig kwaad doorslikken. Zij hebben immers een voorbeeldfunctie. Slikken is wat zij moeten doen.

Spuwen kan je wel als je alleen bent. Als niemand je ziet. Als je geen publiek rond je hebt. Als je op een moment op de wereld wil spuwen. Als je je gras afmaait en de inspanning je spierkracht aantast. Of als je een graf delft en je de dode al voor je ziet liggen. Als het zweet van je lichaam parelt als een glinsterende diamant. Dan pas mag je in eer en geweten spuwen. In het besef dat elk leven zijn eigen graf delft, langzaam maar zeker. De kwak speeksel die verdrinkt in de modder. Dat is pas het echte Grote Spuwen.

Er was een tijd dat er in bussen en treinen beleefd werd gevraagd niet te spuwen. Een teken aan de wand voor een grof volkje dat manieren moest leren. Een bordje met een waarschuwing dat dit een oud gebruik was van tabak kauwende boeren die gebruik maakten van het openbaar vervoer. Toen wilden de hoger opgeleide heren (en dames?) het plebs mores leren. Hier spuwt men niet, want God ziet u.

Nu zijn we allemaal spuwers. Zegt een hoog opgeleid heerschap in maatpak.

Slaapliedje voor mijn broer Wolf

Word wakker, grote broer,
Je hebt genoeg geslapen
Tijd om je laatste voetbalmatch te spelen.
Waarom blijven je ogen dicht
Terwijl je nog zoveel wil zien
Van deze grote wereld?

Jouw hoofd is nu zoveel zwaarder
Van al die stoute dingen
Die zo vanzelf als spoken komen
In de nacht van zwarte gedachten,
Die jij in één salto weg kon lachen.

Maar word toch eindelijk wakker:
Er is nog zoveel moois te beleven,
Het ligt zo voor het rapen:
Als de puzzels die je voor mij maakte.
Als de grote broer van wie ik zoveel leerde.

Maar blijf nu maar slapen
Want de wereld gaat toch om zeep.
Vanuit jouw droom kun jij de mensen redden,
En dan zijn we weer heel dicht bij jou,
In een beter leven, zo gemaakt door jou.

Dirk Rommens

Voor Wolf (°2008-+2015)
11 december 2015

Bootvluchtelingen

topzwaar; naar de morgen geduwd
het schip van de hoop. visgebieden
omzeild, kusten in de holte van handen
gevangen. Maar geen vluchtgebied
zo oneindig als dagenlang drinken
uit lege bekers.

gelaten staren naar de uitgelopen
einders, mist verbergt niets, niets
nemen ze mee. angst drijft hen weg over
zeeën naar morgen en overmorgen.

schipbreukelingen op sleeptouw genomen

pulken aan uitgedroogde woorden
magen kantelen overboord de zilte smaak.

op de rand van de wanhoop
roept een verdwaalde vogel

in een vreemde taal.

Uit ‘De Morgen van het Wit Verdriet’
Yang Poëziereeks
Gent 1988

De tuin

Door het venster zie ik ons lopen
in de tuin, mijn broer en ik.
de wereld van onze kinderjaren;
in het spiegelbeeld kijkt moeder
me tegemoet. Ze wenkt.
Haar stem ademt onhoorbaar
op het vensterglas. In haar ver gezicht
herken ik een glimlach.
In haar ziekbed
zie ik haar zoekende ogen.
Mijn kind van bijna vijftig.
Ze tast en voelt mijn handen.
Je bent zo groot geworden.
Waar is je broer?
Hij zorgt toch goed voor jou?
Ze ziet ons spelen in de tuin.
Ik zie ons samen vlinders vangen.
Haar gezicht trekt wit:
Waarom liet je je grote broer
achter in de tuin?

Het weten

Dan zal ik ze zeggen
Niets vergeet ik van je bestaan.
Alsof ik dertig jaar geleden dacht dat een kind
Na zoveel jaren een volwassen vrouw zou zijn.
Met twee meisje die een moeder leren
Hoe ze bij opa en oma hun geboorte beleven.

Op twee benen

Na de vorige periode die ik bewust onbeschreven liet, wegens wellicht zeurderig gelamenteer, sta ik weer op twee benen. Ik loop nog wel met een zwikje, maar mijn kinesiste ziet mijn toekomst positief tegemoet. Als ik mijn strek-, rek- en evenwichtsoefeningen blijf combineren met het getrap op mijn hometrainer, die ik wegens het prachtige weer buiten parkeerde, kom ik er als een nieuw geboren man wel uit. Ik hoop dan ook dat ik in de kortste keren de ladder kan opvliegen om mijn werkzaamheden eindelijk verder te zetten. Maar ik vermoed dat mijn vrouw mij streng zal terechtwijzen en me zal verbannen naar lichtere karweien, zoals de vaat ledigen en de aardappels schillen. 

Toch heb ik mijn les geleerd: een ongeluk zit in een klein hoekje, precies daar waar ik onzacht tegen de garagevloer terechtkwam. Die hoek zal ik vermijden, eventueel blauw-blauw laten, alhoewel ik witte verf zal gebruiken. Daar kijk ik natuurlijk al maanden naar uit, want een mens wil wel eens veranderen van spijs en drank. Ook de vloer wil ik een beurt geven, want de vorige verf was blijkbaar niet opgewassen tegen de banden van onze auto, nochtans geen 4×4. Mits de nodige voorbehandeling met azijn en schuurpapier moet het me lukken. Ik zal me in ieder geval veiliger voelen, ook al zal dit werk veel vergen van mijn rug en benen… 

Een 65’er moet in beweging blijven, zo leren ons talrijke onderzoeken, en wegens de voorbije rolstoelperiode bleef deze activiteit beperkt. Daar moet ik dus een inhaalbeweging voor doen, te meer dat ook het soortelijk gewicht van het zitvlees is toegenomen. We gaan dus voor een gezondheidskuur, nu het nog kan, in de hoop dat we met al die besparingen niet van de honger zullen vermageren… Bovendien zal de komende koude winter ons geen windeieren leggen, als de verwarming het laat afweten: we zullen weer de gezellige sfeer beleven van kaarslicht en haardvuur. En daar hoort uiteraard een goed glas wijn of Duvel bij.