Alleen

Nergens heen.

Opvallend hoe de stilte aan me knaagt

als niemand me aanspreekt.

Ik ben een afvallige van een stammentwist

knijp me in de wangen om te voelen of ik leef.

Leef niet als ik enkel mijn holle lijf bewoon.

Want zij is weg van mij voor een heel klein moment.

Voelt als een jarenlang verdwijnen in niets in mij in iets van niets.

Praat ik met mezelf ik zwijg terstond.

Zwijg ik dagenlang ik stotter door de nacht.

Zegt zij ‘ik wil een kus’ ik klem haar vast tot de ochtend komt.

Want wij zijn een in eten en slapen en drinken en weggaan.

Zo eenzaam weten we de dagen te eren van toekomstig verdriet.

Leonard Cohen leeft verder

Leonard Cohen kondigde in ‘You want it darker’ zijn eigen nakende dood aan, en toch was het deze morgen schrikken bij het horen van zijn definitieve eindsong. Hij was voor mij als een tweede vader, een hechte vriend, een held, een inspirator, een kunstenaar eerste klas!

Cohens optreden in Brugge was voor mij de ultieme artistieke ervaring. We stonden op een bijna armlengte verwijderd van hem te luisteren naar deze zo wondere man. De tweede keer met zijn live-optreden in Gent was dan ook te afstandelijk, en met een stel kakelende Nederlanders achter ons, blijft dit slechts een stipje in mijn geheugen, een scherm ver verwijderd van mezelf.

Ik herinner me de allereerste keer dat ik Cohen hoorde, in mijn geboortedorp Moen. Ik zie de straat nog voor mij, met luidsprekers waaruit de zware stem van Cohen weergalmde. Vanaf die jeugdige tijd ben ik fan geworden van deze Canadees. Nu ik 67 ben, noem ik mij geen fan maar een trouwe verre vriend die nu rouwt om zijn heengaan.

Door het jarenlang vertalen van zijn gedichten en songs en het beluisteren van al zijn liedjes is de mens Cohen binnengeslopen in mijn ziel.  De leefwereld van Cohen is zo rijk aan gedachten en beelden en klanken dat je nederig moet toegeven dat je nog niet aan zijn enkels reikt.

Slaapliedje voor mijn broer Wolf

Word wakker, grote broer,
Je hebt genoeg geslapen
Tijd om je laatste voetbalmatch te spelen.
Waarom blijven je ogen dicht
Terwijl je nog zoveel wil zien
Van deze grote wereld?

Jouw hoofd is nu zoveel zwaarder
Van al die stoute dingen
Die zo vanzelf als spoken komen
In de nacht van zwarte gedachten,
Die jij in één salto weg kon lachen.

Maar word toch eindelijk wakker:
Er is nog zoveel moois te beleven,
Het ligt zo voor het rapen:
Als de puzzels die je voor mij maakte.
Als de grote broer van wie ik zoveel leerde.

Maar blijf nu maar slapen
Want de wereld gaat toch om zeep.
Vanuit jouw droom kun jij de mensen redden,
En dan zijn we weer heel dicht bij jou,
In een beter leven, zo gemaakt door jou.

Dirk Rommens

Voor Wolf (°2008-+2015)
11 december 2015

Bootvluchtelingen

topzwaar; naar de morgen geduwd
het schip van de hoop. visgebieden
omzeild, kusten in de holte van handen
gevangen. Maar geen vluchtgebied
zo oneindig als dagenlang drinken
uit lege bekers.

gelaten staren naar de uitgelopen
einders, mist verbergt niets, niets
nemen ze mee. angst drijft hen weg over
zeeën naar morgen en overmorgen.

schipbreukelingen op sleeptouw genomen

pulken aan uitgedroogde woorden
magen kantelen overboord de zilte smaak.

op de rand van de wanhoop
roept een verdwaalde vogel

in een vreemde taal.

Uit ‘De Morgen van het Wit Verdriet’
Yang Poëziereeks
Gent 1988

De tuin

Door het venster zie ik ons lopen
in de tuin, mijn broer en ik.
de wereld van onze kinderjaren;
in het spiegelbeeld kijkt moeder
me tegemoet. Ze wenkt.
Haar stem ademt onhoorbaar
op het vensterglas. In haar ver gezicht
herken ik een glimlach.
In haar ziekbed
zie ik haar zoekende ogen.
Mijn kind van bijna vijftig.
Ze tast en voelt mijn handen.
Je bent zo groot geworden.
Waar is je broer?
Hij zorgt toch goed voor jou?
Ze ziet ons spelen in de tuin.
Ik zie ons samen vlinders vangen.
Haar gezicht trekt wit:
Waarom liet je je grote broer
achter in de tuin?

Het weten

Dan zal ik ze zeggen
Niets vergeet ik van je bestaan.
Alsof ik dertig jaar geleden dacht dat een kind
Na zoveel jaren een volwassen vrouw zou zijn.
Met twee meisje die een moeder leren
Hoe ze bij opa en oma hun geboorte beleven.

2014

Tussen het zuchten van de wijnflessen
en het knallen van de gillende keukenmeiden
stof ik in gedachten de 365 dagen van 2013 af
sluit ik de koffer van heimwee naar vroeger

er is immers een nieuw jaar te vieren
met weer minder wensen en meer verdriet
om wat voorbij is of wat nog komen zal
toch is er de hoop dat 2014 meer vrede brengt

Maanlicht

Wat ik zag was maanlicht,
stralend op mijn handen,
nooit gezien, als vannacht
verbleekt in bleke stranden.
Moeder hield me tergend
langzaam in haar tederheid,
want ze liep leeg in
haar verdovend afscheid.

Als broers die geheimen verbergen
voor de blinde indringers;
zo sluip ik weg van zijn bed
waar de pijn kronkelt in zijn lijf.
Niemand zal ons weten kennen
van kattenkwaad en geniepig grappen
om de buitenwereld,
tot het einde komt.

En vader stierf voordien
hoestend in de leegte van woorden,
Zijn sigaret nog dampend
in onze ongezouten antwoorden.
Wat hebben de doden
ons vanavond nogmaals verteld,
Tenzij over de liefde
die ons altijd blijvend vergezelt.

Werkwoorden van C.L. Kruithof

Eerder verschenen in “Ambrozijn”, driemaandelijks artistiek tijdschrift uitgegeven door de culturele kring Ambrozijn, vzw.

Kruithof is een naam die ons in gedachten terugbrengt naar de man van het dwarsliggende woord, naar de provocerende discussies die je niet onberoerd lieten, naar de linkse filosofieprof Jaap Kruithof. Wisten we toen dat hij ook nog een broer had, Cornelus Lambertus Kruithof, geboren in Mortsel bij Antwerpen.

C. L. Kruithof (°1935) overleefde zijn broer (1929-2009) en ging opnieuw de poëtische toer op toen hij met pensioen ging. In zijn jeugd publiceerde hij al vijf dichtbundels, maar tijdens zijn loopbaan als socioloog aan de universiteiten van Brussel en Gent vond hij de tijd (en de inspiratie?) niet meer om poëzie te schrijven. Terwijl zijn broer een publiek figuur was geworden, koos hij voor de stilte en de luwte, ver weg van alle microfoons.

Met een grote regelmaat verschenen zijn dichtbundels in die tweede periode: in 2011 Melancholie van een man zonder toekomst en Soms is muziek voldoende. In 2012 zelfs drie bundels: Wij, gewone stervelingen, De mummies van Palermo en Wunderkammer.

Werkwoorden – Gedichten over wat wij mensen doen (Gopher B.V., Amsterdam 2013) is de zesde bundel op rij. Alsof de dichter de jaren van stilte wil(de) inhalen.

Het is wat bevreemdend om de gedichten in de inhoudsopgave alfabetisch gerangschikt te zien. De coverfoto verwijst ook naar het alfabetisch weergeven van woorden in het woordenboek. Liever dan een thematisch ordenen van zijn gedichten, schikt C.L. Kruithof koelweg zijn gedichten van Afscheid nemen tot Zonnen. Zijn poëzie omschrijft hij als volgt: “Na een toevallige ingeving / doe ik bij het dichten niets / anders dan nadenken”. Poëzie als drager van gedachten: wat inspireert is slechts aanleiding om verstandelijk greep te krijgen op wat toevallig op je afkomt.

In de flaptekst wordt zijn dichterschap in Werkwoorden duidelijk gemaakt: “De gedichten in deze bundel richten de aandacht op een willekeurige keuze aan handelingen (werkwoorden) waarmee ieder mens wel eens te maken heeft. Elk gedicht verwoordt de betekenis van het werkwoord op een geheel vrije manier”.

Om deze onderkoelde gedichten te smaken, dien je dan ook de gebruiksaanwijzing van de dichter te volgen en de gedichten niet zozeer te beoordelen op de poëtische kwaliteiten, maar op de inhoudelijke kracht van de gedachten.

Het gedicht Denken verkent de wereld van C.L. Kruithof: “Denken klampt aan hersensprongen / in een machine van schors en stam / van zuinige mogelijkheid en beperking / voor zich aandachtig overtreffen / met rede en emotie overwonnen.” De dichter hanteert het ontleedmes om zijn gedachten bloot te leggen. In Overslaan laat de dichter zijn gedachten niet vrij; hij kiest bewust voor het vergeten van het absurde dat opkomt in zijn hersenen: “Geef mij de springveer maar / van enthousiasme en verstand, / van doordacht en eigenzinnig streven. / Mijn hersenen zijn mijn redelijk leven.”

Ook in Fantaseren rekent hij af met de verbeelding: “En daarna herhalen / en werkelijk zien / wat al is gebeurd / maar dan verlost van dromen.

Kruithof wil, met opeens gebruikmaking van de archaïsche gij-vorm uit het kerkelijke jargon, de lezer zelfs overtuigen om niet meer te geloven: “Laat het geloof toch varen / gij die dat nog doet, / want het helpt u geen zier / op de zee die voert naar zwarte gaten, / een reis waar onzin niet met hoop / en kinderpraat valt te sussen /  en die u gewoon verdwijnen laat / in het niets zoals wij weten dat alles / in de wereld na verlopen tijd vergaat. / Kom hier, dat wij elkander omhelzen / en kussen.”  Fysieke aanraking biedt soelaas tegen het ‘verdrinken’. In Verzinnen waarschuwt de dichter eveneens voor verzonnen verhalen: “Omdat gij niets weet, / onwetend zijt, / kunt gij rijkelijk verzinnen / en het is uw verzonnen verhaal / dat u zekerheid geeft. / God is uw bewondering / van uw eigen leven, / is uw talent / om onrust te bedwingen.”

In Wanhopen is de rol van Christus helemaal uitgespeeld: “En Christus staart / zonder te geloven, / zonder nog de hoop die moet / en toch de mens verlaat.”

In Knoeien geeft de dichter ons een kijk op onszelf, en die is verre van positief: “We sjoemelen behoedzaam, / bedriegen uitgestreken, / we verhaspelen onze strengheid, / verzwelgen in gretigheid, / we verbasteren tot slechte smaak.” Ons treft schuld om wat verkeerd loopt.

Toch is het niet allemaal geknoei. Vlaanderen krijgt zelfs een voorkeursbehandeling van de dichter en je vraagt je af of het gegeven dat zijn ouders Nederlandse predikanten waren daar voor iets tussen zit. Ondergebracht bij het werkwoord Lusten signaleren we ‘goesting’ als het lievelingswoord van de dichter: “Vlaanderen is het hunkerende land / waar goesting graagt in stromend bloed. / In dit land is goesting heer en meester. / Met goesting wordt het leven vrije tijd.” (Let op het neologisme ‘graagt’ als werkwoord!) Over het Spreken van de Vlamingen is Kruithof minder tevreden: het stopwoordje ‘eigenlijk’ ergert hem mateloos: “Help de Vlaming aan een lenig hoofd / dat ‘eigenlijk’ achternazit en verjaagt. / Verlos zijn spraak van dit ondoordachte woord, / Vlaanderen moet van zijn ‘eigenlijk’ / worden bevrijd.”

Dat de gedichten doordesemd zijn van ervaringen gedurende een lang leven, weerhoudt de dichter niet om in Verlangen heimwee te hebben naar vroeger: “Soms verlang ik naar een hobbelpaard / om schommelend weer kind te wezen, / voor de eenvoud van wat gebeurt  / zonder de beklemming van ouderdom / die zo dikwijls om het jong zijn treurt.”

Maar er is ook vertwijfeling door het ouder worden: “Wat ik van dagen wel moet denken / waarvan het broze tellen mij ontgaat, / met luchten die klaren en verdonkeren / met eentonigheid als regelmaat: / ik voel in dagen nachten wenken.” (Vertwijfelen 1) en “Ik kan het woelen en kraaien niet meer aan, / laat mij toch burgerlijk wezen / met mijn eigenzinnig, introvert bestaan.” (Vertwijfelen 2) In Weggaan heeft de dichter het over het einde van het leven: “De dood mag dan wel / niemendal zijn, van sterven / moet een mens bekomen. // Jan en alleman heeft tegenzin / in de duur van het gaan, / maar niemand vraagt / om zijn moment te ontlopen.”

Toch is het blijkens Zich spiegelen niet allemaal kommer en kwel in de oude dag van de dichter: “Maar telkens zie ik die spiegel weer / en dat gezicht met de gedachte. / Dan denk ik aan de volgende keer / als het licht de morgen ziet / en ik me nog levend zie. Prachtig!”

C.L. Kruithof heeft zijn hele leven de keuze gemaakt om in stilte te werken, als intellectueel. Schreeuwen is aan hem niet besteed: “Het aanvurend schreeuwen / bij het presteren, / gebeurt wel in de sport / maar niet bij het werken / van intellectuelen. / Zij bereiken niet / met aanmoediging in zicht / en schreeuwen zelf binnensmonds / als zij prestaties realiseren.”

Hoe anekdotisch Kruithofs gedichten ook zijn (Geeuwen, Ontbijten, Pootjebaden, Zonnen enz.), steeds krijgen ze een diepere dimensie die aanleiding geeft tot filosofische beschouwingen over het bestaan. Door de klinische benadering van het leven, uitgepuurd tot streng geformuleerde gedachten, spreekt een zekere afstandelijkheid, als woorden uit een woordenboek. C.L. Kruithof beleeft in zijn oude dag zijn voorbije leven, ontleedt zijn bestaan zonder mededogen, smukt zijn zinnen met mondjesmaat op, zingt zoals hij gebekt is tot de laatste adem.

Lusten

Vlaanderen heeft in goesting
leren zwemmen, in een woord
dat hier tot lust verblijdt.
Ik teken voor dit oord
van aarde en onmogelijk lijden,
van werklust en gemoedelijkheid.

Goesting is de hartslag van begeerte,
is het smaken van buikgevoel en zuchten
slaken, is het proeven van onderhuidse
gloed, van zoete mond en warme handen.
Goesting maakt contact met wie men is.

 Vlaanderen is het hunkerende land
waar goesting graagt in stromend bloed.
In dit land is goesting heer en meester.
Met goesting wordt het leven vrije tijd.

 C.L. Kruithof