Ver van mijn bed?

Ik ben vannacht wakker geschrokken van een geluid uit mijn iPad. Onheilspellend. CNN meldde dat er weer een ontploffing was geweest in één van de  kernreactoren in Japan. Er werd gemeld dat er vuur was gezien.

De natuur had ons vorige week al een lesje geleerd: niet de mens stelt de wet, maar de natuur overklast de mens. Nu kwam er nog een standje bij: het menselijke brein is eindig. Punt. Je kunt hooghartig doen alsof je alle atomen temt, dat je niets kan overkomen omdat hooggeleerde wetenschappers ons zeggen dat zij de slimsten zijn. Dom volkje, die zo tegen het gebruik van kernenergie is, je begrijpt er niks van. Wij hebben alle voorzieningen getroffen opdat alle kerninstallaties veilig zijn.

Een les in nederigheid, dat is het ook.  Terwijl de steden in Japan gebouwd werden vanuit het opgeblazen gevoel dat zij de aardbevingen de baas kunnen, want kijk, de torens blijven staan, maar men had ojee geen rekening gehouden dat er ook nog eens een tsunami zou volgen.  Het menselijke brein had zoiets niet voorzien. Ofwel leven de Japanners met een ongelooflijk gevoel van onverschilligheid. Tja, als het gebeurt, dan gebeurt het, en iemand moet de klos zijn. Ofwel zien ze het gewoon niet meer zitten. Het lijkt wel het einde van de wereld… Daar kun je toch niks aan verhelpen.

Zijn wij zoveel anders? Milieuactivisten worden hier afgeschilderd als naïeve natuurmensen, die terug zouden willen naar het kampvuur en de wollen sokken. Hoe bestaan ze het om kernenergie in vraag te stellen? Moeten we opnieuw naar de grotten en de jacht en visvangst? Verstaan ze niet dat wij het licht zullen moeten uitdoen als we de elektriciteitscentrales op kernenergie stilleggen? Kunnen we het stellen met de helft van de elektriciteit? Zet die computer alvast maar af. Doof de lichten. Er is geen ontkomen aan. We hebben gekozen voor die techniek. Stoot immers geen CO2 uit. Milieuvriendelijk.

Als ik de beelden zie, die me overvloedig op het tv-scherm en het computerscherm aanstaren alsof ik mede schuldig ben, wordt mijn gemoed verzwaard. Mijn empathie is zo groot als ik het leed van al die mensen zie, dat ik tranen in de ogen krijg. Ik probeer me voor te stellen wat het voor ons zou betekenen, als ons dit zou overkomen.

Japanners hadden ook geen enkel vermoeden dat zoiets zou kunnen gebeuren.

Toen onlangs ons splinternieuwe afdakje door een rukwind omver gegooid werd, zat ik al met de handen in het haar om het opnieuw recht te krijgen. Ik had bijna een paniekaanval toen ik het daar zag liggen, en ik er samen met mijn vrouw er geen beweging in kreeg. Stel je voor dat heel je hebben en houwen in één vloedgolf weggespoeld wordt en je later de resten terugvindt op het marktplein in Kuurne. Alles op een hoop, je hele leven als prut goed voor de verbrandingsoven. Zou je niet beter mee opgezwolgen zijn geweest door de vloedgolf? Zeker als je ook nog een geliefde verloren bent?

Ik vraag me af hoeveel geld de research en de realisatie van de kernenergie wel gekost heeft. Ja, oké, nu schept men geld, de winst wordt netjes verdeeld onder de rijksten der aarde, en wij moeten als burgers niet met energie spelen, want de aarde is van iedereen, enz. enz. Kortom, het is onze schuld dat de wereld naar de verdommenis gaat.  Mijn vraag dus: hoeveel heeft alles al niet gekost, en waarom heeft men niet evenveel gestopt in het zoeken naar alternatieve energie? Waarom is er pas sinds een paar jaar een kleine inspanning geleverd om de alternatieve energie echte kansen te geven? Kun je met wind en de zon te weinig winst maken, misschien?

Tja, het is te makkelijk om nu alle zonden van de wereld bij de kernenergie te leggen, zeggen de verstandige mensen. Maar is er één vorm van energie die je, als er iets misgaat, gewoon niet meer kan stilleggen? Het oceaanwater dat eerst als een vloek geweerd wordt, wordt nu gebruikt om de nucleaire bedreiging een halt toe te roepen. Is dit niet ironisch? Kan zonne-energie zo gevaarlijk zijn? Of misschien is een windmolen dan toch nog te verdragen in ons gezichtsveld? Misschien is het geluid toch te harden?

Het gaat niet goed met deze wereld. We maken er toch nog een zootje van. Doet me denken aan ‘The planet of the Apes’. De eindgeneriek is geschreven. Filmmakers zijn al bezig met scripts voor de zoveelste rampenfilm. De elf moeten we schrappen in onze agenda’s. Die datum brengt enkel ongeluk. Straks schrappen we de maanden en uiteindelijk moeten de jaren eraan geloven.

Jawel, ik ben in een zwaarmoedige bui. In Libië bewijzen machthebbers alweer dat mensjes zoals jij en ik speelballen zijn en zich moed inschrijven op Facebook, naïef gelovend dat zij de wereld zullen redden, terwijl ook aan de top van het sociale gebeuren de rijken nu echt wel rijk worden.

Vandaag wordt het lente, zeggen ze. Maar het geloof in de weerman en –vrouw heb ik al lang opgegeven. Want als ik aan heldere hemel denk, vermoed ik dat het fijn stof  mijn leven zal inkorten. Wellicht volgen er straks ook nog eens radioactieve deeltjes. Maar daar is een remedie voor, zeggen de apothekers. Maar nu nog niet innemen, best wachten tot het te laat is.

Verloren loopbaan met ICT?

Dat een artikel over ICT en onderwijs me nog altijd boeit, is nogal wiedes: dus komt dit onderwerp in mijn blog binnensluipen. Is daar nu iemand die zegt dat een groot deel van mijn loopbaan in het onderwijs eigenlijk allemaal boter aan de galg was, of zelfs meer: dat ik onze kinderen en jongeren de verkeerde instrumenten heb aangereikt!

Integendeel, in heel mijn ICT-periode heb ik altijd gepleit voor een zinvol gebruik van ICT. Ik heb het boek van Carr (nog) niet gelezen, enkel het interview. Maar ik volg de auteur in zijn pleidooi om kritisch te zijn en te blijven t.o.v. het gebruik van de computer in het onderwijs.

Dus best geen computers in de klas?

‘Scholen en ouders waren er heel erg op uit om technologie in te voeren in het onderwijs. Want technologie is slim, en hoe meer technologie de school heeft, hoe beter die school is. Maar er zijn weinig bewijzen dat dat een positief effect heeft. Onderzoek wijst eerder op dat probleem van cognitieve overload. Als je kinderen te veel informatie geeft, onthouden en begrijpen ze minder. Ik zeg niet dat we computers uit de school moeten bannen, maar het onderwijs moet wel een plek zijn waar kinderen even aan die technologie kunnen ontsnappen.’

Hier ben in het niet mee eens: de auteur heeft naar mijn gevoel niet veel voeling met het (Vlaams) onderwijs, anders zou hij weten dat de computer niet alleen wordt gebruikt om feitjes op te zoeken. Ik heb er in mijn artikels op gewezen dat leerkrachten de plicht hebben om de jongeren te begeleiden, en de computer ook aan te wenden als bij voorbeeld oefen- en drilmachine. Ik geef deze weg aan in ‘Bronnen selecteren op internet’. (zie de Blogroll). Er is een verschil tussen een plek zonder die technologie en het leren gebruiken van de technologie. Bovendien mag de auteur gerust zijn: er zijn nog heel veel plekken zonder computer in onze scholen!

Wat kunnen we nog doen om te zorgen dat onze kinderen ook lineair leren denken? Moeten we zorgen dat ze boeken lezen?

‘Ja, dat denk ik wel. Het is belangrijk dat kinderen de kans krijgen om hun hersenen te gebruiken op alle manieren. Dat betekent ze aanmoedigen om boeken te lezen. En om soms alleen te zijn, niet altijd bloot te staan aan die constante stimulatie. Ze hebben een brede mix van ervaringen nodig.’

Ik heb ook altijd een pleidooi gehouden om niet te overdrijven en niet alles kritiekloos te slikken als het op ICT aankomt. De twee moeten naast elkaar bestaan: er is nog altijd het verwijt dat we te lineair onderwijs verstrekken, dus mag Carr hier ook heel gerust zijn: ook al is het internet flitsend, zijn de geesten het multitasking gewoon, er wordt nog veel tijd gestoken in minder oppervlakkig verwerken. Laat het dan maar als saai omschreven worden door de op sensatie beluste leerlingen, leerkrachten eisen nog altijd een zeker vorm van discipline om de leerstof te verwerken.

Nicholas Carr in ‘De Standaard’ (9 maart 2011) geïnterviewd door Dominique Deckmyn.

‘Het ondiepe. Hoe onze hersenen omgaan met internet’ van Nicholas Carr is uitgegeven door Maven Publishing, Amsterdam.

Verjaardagsbrief aan onze zoon in Canada

Hoi, zoon van ons. Jouw leeftijd herinnert me eraan dat de jaren almaar meer afstand nemen. Jij, daar op duizenden kilometer van hier. Jouw leeftijd kan nooit meer de helft van de onze worden. Ook al verouderen wij in een tempo dat ons doet schrikken. In gedachten zijn we echter even jong als jij nu bent.
Maar de afstand is op zo’n dag als vandaag al even onoverbrugbaar.

Zoveel jaren geleden – wij waren toen 27 en 28 jaar – kwam je zeer gevraagd op deze wereld terecht. Wisten wij toen dat jij niet geboren werd om onder de kerktoren te leven. Jij was er kennelijk op uit om grote afstanden af te leggen, want Kuurne, Kortrijk, Leuven en Bilzen stonden op jouw landkaart niet eens vermeld. Het moest en zou een ander werelddeel worden, daarvoor was je in de wieg gelegd. Een wereldburger die voor geen oceaan zou terugdeinzen.

Een eerste verkenning in Vancouver overtuigde je van de uitgestrekte mogelijkheden in een van de grootste landen van de wereld. Canada, dat zou je heimat worden, met een kind als bewijs van je uitheemse honkvastheid.

Want terugkeren zou je, als een avonturier die op een vliegveld zou stranden, daar in Toronto, een wereldstad op een boogscheut van London, die andere fake stad, die haast niemand kent, want altijd meteen gelinkt aan Big Ben. Daar zou je dan terechtkomen, in het veilige huis met een vrouw die, geboren op een eiland, Bequia, een aards paradijs, Canadese zou worden, net zoals jij dat nu aan het worden bent.  Wat een moeite kostte het niet om de papieren te bemachtigen, want Canada is een land met ongekende mogelijkheden als je maar de nodige kwaliteiten hebt… en een goed gevulde portefeuille.

Oma, mijn moeder zaliger, zij was voor jou een vrouw uit de duizend. Vandaar dat ze daar ergens aan de vrouwentop 8 maart hebben gekozen voor de datum van de internationale vrouwendag. Jij bent daar in goed gezelschap. Met je vrouw die een dimensie toevoegde aan jouw bestaan. Pas alle twee dertigers  geworden, lijkt het alsof wij hier ook opnieuw dertig werden.

Wij stappen binnen in jullie huis, we kennen alle kamers en zijn bij jullie op deze verjaardag, want in gedachten zijn we altijd bij jullie thuis.  Ook zonder webcam, of skype, of e-mail. Vanuit dit piepkleine dotje op de wereldkaart groeten wij jullie en zeggen: proficiat!

 

De media: Facebookgedicht

Net nu ik ervan overtuigd was dat je met Facebook of Twitter geen belangrijke boodschappen kunt schrijven, las ik in de krant dat Van Reybrouck een gedicht schreef  via Facebook:

Ik citeer: “En zo geschiedde: Van Reybrouck verzamelde zo’n 150 verzen en schrapte, componeerde en vulde aan tot hij het gedicht In alle vroegte overhield. ‘Het is een procedé dat werkt voor mij’, vertelt hij. ‘Die collectieve fantasie is een mooie manier om mensen te betrekken bij het ontstaan van een gedicht.’

Dichters zijn dus lui geworden. Zij vragen medemensen (‘collectieve fantasie’, waar haalt hij het?,  alsof de goegemeente enige verbeelding zou hebben) om verzen te plegen die dan dienst doen als grondstof voor een heus gedicht dat dan meteen in de krant verschijnt.

Ik herinner me dat David Bowie het dertig jaar geleden al veel vroeger ook deed. Hij versnipperde tekstregels en liet die dan uit de poëtische hemel neerdalen… en geloof me of niet, deze tekst werd de basis van alweer een succesrijk nummer. Op de vraag of deze song vertaalbaar was, zei mijn collega leraar Engels dat dit gewoon onmogelijk was. Alsof je willekeurige tweets tot een gedicht zou smeden, en dan er meteen de vertaalmachine op zou loslaten.

Maar ik wist beter: dat was gewoon klinkklare onzin tot een song aaneen geklutst, waarbij enkel de melodie ervoor zorgde dat die song in de toptien terechtkwam. Wie luistert er in godsnaam naar de tekst van een popsong? Als je het woord ‘love’ al verstaan hebt, dan kun je hele song wel verder meekwelen.

Ter gelegenheid van Gedichtendag verscheen in De Standaard een collage van uit de krant geknipte teksten die een gedicht moesten voorstellen. Wat een leuk idee! Hoe vernuftig! Nooit eerder gezien…

Van Ostaijen deed het in zijn tijd zoveel beter, met bovendien een persoonlijke toets, maar hij was lichtjes of zwaar aan de drugs, en kon daardoor bewijzen hoe poëzie ontstaat uit het onderbewuste, want hij had geen hulpmiddeltjes nodig zoals daar zijn: kranten. Nu zitten ze daar maar met hun stift woorden uit te plukken, alsof het peuters zijn die lukraak gekozen kleurpotloden gebruiken en blij zijn dat ze binnen de lijntjes kunnen kleuren. Het plezier van het spelen met woorden, noemen ze dat dan. Maar waar is die persoonlijke impressie dan? Hoe kun je een persoonlijk gedicht schrijven dat uit jezelf geboren wordt, als de krant de basis is van een poëtisch gewrocht?  Zoiets leer je in een cursus ‘leren schrijven’, waar je techniekjes aanleert om het verschil te leren tussen een enjambement en een binnenrijm.

Nee, die Gedichtendag werkt me ook danig op de zenuwen, want ik ken bij god geen mens die het leven niet aankan zonder een gedicht te hebben gelezen.

Wat gaan ze nog aan Facebook toedichten? Na ‘De democratisering van onze maatschappij’, nu ook ‘De collectieve fantasie van Facebook-poëzie’? Hoogtijd om Facebook heilig te verklaren! Laat de katholieke kerk haar zegen over deze collectieve verdwazing neerdalen, en voor een mirakel zorgen.  Dan pas zijn we echt tevreden…

Dagboek = blogboek

Vandaag is een dag als een ander. De zon schijnt, de hemel is blauw, het lijkt wel lente achter glas.

Vandaag is toch wel anders. Nee, er is nog geen regering, nee, Kadhafi is nog gek, nee, het milieu gaat nog altijd naar de knoppen. (Gisteren op tv een documentaire gezien hoe de Canadezen met hun vuile olie hard hun best doen om er hun steentje toe bij te dragen – ofte hoe ook indianen met geld vuile handen krijgen…)

Vandaag is een dag die sporen nalaat. Zeker weten. Ik heb (alweer) een voornemen genomen. Ik wil vanaf nu elke dag zinnen op deze blog zetten. Na mijn aanvankelijke belofte – die dateert al van augustus 2010 – om deze blog te starten, ontbrak me de ‘goesting’ om het te doen. Of moet ik ‘hoesting‘ schrijven zoals onze Leterme-barones dat tegenwoordig doet – zij beoefent naast het serieuze geleuter een zeker vorm van zelfspot, die ex-Harelbekenaarster.

Ik deed echt te weinig moeite om mijn inloggegevens  terug te vinden, en misschien hoopte ik zelfs dat ik ze nergens had opgeslagen, alleszins niet in mijn geheugen. Excuses dus om mijn vroegere voornemen goed te praten.

Ik besefte ook al die tijd dat niemand op mijn gedachten zat te wachten, want zelfs een tweet lijkt me te banaal – ik herinner me er eentje over mijn iPad en Telenet waarin ik mijn beklag deed dat hun ‘Yelo‘ alweer niet werkte. Maar ik hou niet van kreten en mensen die denken dat hun eerste gedachte het begin is van een essay over Yung. Af en toe eens een bericht op Facebook voor de naaste familie meegeven kan nog net, maar waarom zou ik die lastig vallen met het bericht dat ik mijn blog niet kon starten wegens gebrek aan inspiratie?

Maar na de lectuur van al die reacties op krantenartikels, vooral boze en domme, dacht ik, misschien is mijn kijk op de wereld nog zo dom niet.

Sinds ik me bij de grote schare van gepensioneerden heb gevoegd, en ik meer vrije tijd heb om mijn hobby’s te koesteren, lijkt het ‘onderhouden’ van een blog toch wel zinvol.

Vooral toen ik las dat een dagboek bijhouden een gunstige invloed heeft op de eigen psychologie – kwestie dus van niet down te worden na een zinvol leven vol arbeidsvreugde, nu levend van de staat die het al zo moeilijk heeft met al die al maar langer levende en profiterende burgers.

Maar wat me uiteindelijk over de streep trok om nu ‘definitief’ te starten met deze blog, die druppel dus in de emmer van uitstellen en zich in vraag stellen, dat was het resultaat van nog eens een onderzoek naar de eenzaamheid van een groot deel van het oudere mensdom in Vlaanderen – of ging het over heel België? – de Walen zullen de cijfers naar boven halen, want de afstanden tussen buren en bossen en andere buren zullen wel groter zijn dan in het volgestouwde Vlaanderen.

Blijkt dat – uit mijn blote hoofd – zo’n tien procent van de zestig-plussers tijdens de week geen enkel contact heeft met een ander mens, jong noch oud. Het gaat  – vermoed ik – over alleenstaanden, tenzij ook samenwonenden of koppels elkaar zo mijden dat zij elkaar noch horen noch zien, vermoedelijk ook wegens lichamelijke gebreken.

Ik dacht: die ouwe knarren zitten toch op Seniorennet? Bovendien, zegt men ook niet van jongeren dat zij liever chatten met Egyptenaren, dan kletsen met hun vrienden in de rookvrije cafés?

Kortom, het is niet omdat je geen liefhebber bent van gezamenlijke busreizen naar de Ikea – of is het uitgekiende kilometerlange traject niet haalbaar voor hulpbehoevende oudere lieden en opteert men voor pretparken? – Ik herpak mijn zin, want misschien lezen er leeftijdsgenoten mee – het is niet omdat je die ouwe mensen uit het verenigingsleven niet ziet zitten, dat je aan je ligzetel gekluisterd moet worden! Met een iPad in je hand, of liever op je borst – want het schokkend gebruik kan met zo’n toestel nogal wat effect hebben – kun je de hele wereld bereiken, je horizon verbreden, je kunstzinnigheid verdiepen, je lectuur verrijken, enz. enz. En je kunt er zelfs je blog mee schrijven.

Zo, deze eerste blog staat er. Met deze staat of valt ook mijn geloofwaardigheid: komt er morgen een vervolg of is dit een laatste stuiptrekking van een op succes beluste vent die in de belangstelling wil komen, zoals ook oud-journalisten blijkbaar niet van het scherm te branden zijn? Jawel, daar zit wat in: morgen heb ik het over de media. Denk ik.